We hebben ons huis gevonden!
Verhalen, belevenissen en gebeurtenissen in een klein dorp in Frankrijk!
door Marie
- maart 2010
- februari 2010
- januari 2010
- december 2009
- november 2009
- oktober 2009
- september 2009
- augustus 2009
- juli 2009
- juni 2009
- mei 2009
- april 2009
- maart 2009
- februari 2009
- januari 2009
- december 2008
Maart 2010
Sinds we alweer een tijdje in de Franse Ardennen wonen,
beseffen we pas goed hoeveel geluk we hebben gehad met het huis dat we direct
na één bezichtiging hebben gekocht. Onze zoektocht naar het ideale huis heeft
bijna een jaar geduurd. Dit huis was direct een coup de foudre, dus verstand op nul, we moesten en zouden het
hebben.
We wonen aan de voet van een heuvel en het huis vangt veel
zon, zelfs tijdens sombere winterdagen stroomt veel daglicht naar binnen. Dit
is heel anders bij de huizen die tegen de heuvel zijn aan gebouwd. Huizen
weliswaar met een prachtig uitzicht, maar... In de zomer valt het niet zo op,
maar tijdens de wintermaanden wanneer de zon ver weg staat en de schaduwen lang
zijn, zijn er huizen die deze maanden de hele dag in de schaduw blijven liggen.
De mist blijft ook veel langer tegen de heuvels hangen dan in het dal. De bewoners
van deze huizen leven deze maanden continue bij kunstlicht. De ramen zijn hier tradioneel
ook nog eens klein om zoveel mogelijk warmte binnen te houden. Maar wat veel
vervelender is, is dat deze huizen zeer vochtig en kil worden door het gebrek
aan zonlicht. Ze zijn niet goed warm te stoken, omdat ramen, muren en daken
niet zijn geïsoleerd. De mensen lijden dan ook aan winterdepressies en hebben
vocht gerelateerde klachten.
In advertenties van makelaars wordt een huis aangeprezen als
inondable en ook in het
keuringsrapport wordt er aandacht aan besteed. We hebben dit nooit zo serieus
genomen, maar nu weten we wel beter. Hoewel we aan de voet van de heuvel wonen,
hebben we gelukkig nog geen water of vocht in huis gehad, terwijl het
grondwaterpeil regelmatig zeer hoog staat. In natte seizoenen is de tuin voor
de helft zelfs moerassig. De zware klei verhinderd namelijk een snelle drainage
van het overtollige water dat van de heuvel stroomt. Zo gaat het nochtans in
een normale seizoenen.
Maar wat gebeurt er als sneeuw gaat smelten of wanneer het
langdurig regent? In korte tijd zwellen de rustig stromende rivieren Aire en
Aisne op tot brullende monsters en treden op verscheidene plaatsen buiten hun oevers.
Gelukkig is het hier zeer dun bevolkt en zijn er veel velden waar het water
zonder veel schade in kan stromen, maar er zijn helaas ook plekken waar huizen
staan en die wel degelijk gevaar lopen. Onlangs smolt een flink pak sneeuw in
twee dagen weg en kwam er ineens een uitzonderlijke hoeveelheid water vrij.
Rondom Vouziers was dat spectaculair om te zien. Het stadje was ingesloten
geraakt door enorme meren.
Al 30 jaar worden heftige discussies over de hoge waterstanden
van de rivieren aangeslingerd door Nature
et Avenir. Ze hebben zelfs een stripboek over dit thema laten maken. Er
worden allerlei mogelijkheden bedacht zoals het aanleggen van minidijken waarop
wilgen worden aangeplant, dijken rondom dorpen en het aanwijzen van een
permanent overstromingsgebied zoals nu sprake is bij Savigny-sur-Aisne. Critici
wijzen er echter op dat het bewerken van de heuvels, de ontbossingen en drainages,
aanleggen van heggen en dijken juist averechts hebben gewerkt en de
overstromingen hebben doen toenemen en dat minstens 7 grote
overstromingsgebieden nodig zullen zijn om plotselinge hoge waterstanden de
baas te kunnen. Eéns in de 30 jaar zijn de overstromingen hier zelfs van
rampzalige omvang en om dergelijke rampen voor te kunnen zijn is veel geld
nodig.
Geld voor een goede oplossing waar iedereen tevreden mee kan
zijn is er niet. De discussies zullen daarom nog wel blijven aanslepen. De
mensen in overstromingsgebieden kunnen voorlopig niets anders doen dan gelaten
het water hun huis binnen laten stromen. Ze zullen de stopkontakten hoog moeten
aanbrengen en de inrichting van hun huis zo moeten aanpassen dat het water en
de modder met zo min mogelijk schade weer verwijderd kan worden. Een bewoner
van zo’n waterhuis vertelde dat het water ook nog wel eens wat aardigs zijn
huis in voerde en dat probeerde hij er dan zo snel mogelijk uit te hengelen.
Een schrale troost!
Februari 2010
Het nieuwe jaar was nog geen dag oud of het noodlot sloeg al
toe. De temperaturen waren de laatste twee weken rap gedaald tot zelfs -20° ’s
nachts. De mooie natuur veranderde in een kil winterlandschap waarbij de ijzige
wind mens en dier zo snel mogelijk naar binnen joeg. Maar niet onze honden, die
eisten zoals gewoonlijk hun wandeling op en er zat niet anders op dan mopperend
mijn jas aan te trekken.
Onze Tinker is een niet helemaal raszuivere Whippet die was
gefokt voor de Belgische hondenrenbaan. De fokker had gehoopt dat door de teef
te laten paren met een iets gespierdere hond een nog betere hardloper te verkrijgen.
Nou hardlopen kon Tinker inderdaad hard, maar van luisteren had hij nog nooit
gehoord en daarom werd hij door zijn eigenaar maar gedumpt. Gelukkig voor ons
want wij kregen aan Tinker een geweldige, zeer gevoelige hond die ons helaas ook
dol maakte met zijn eigenwijzigheid en vooral tomeloze energie. Jarenlang
fietsten we dagelijks zo’n 10 à 15 kilometer met hem voor wat rust in huis.
Tinker was zijn korte carrière op de hondenrenbaan nog niet vergeten, want hij
wenste niet door een auto of bromfiets te worden ingehaald. Zodra een auto
dichter achterop kwam zette Tinker het zo hard op een lopen dat we hem met de fietspedalen
niet meer konden bijhouden. We zijn dan ook regelmatig door voorbijgangers
verbijsterd nagestaard!
Hier in de Ardennen fietsten we niet meer met Tinker, maar
lieten we hem in de weilanden los waar hij pijlsnel een klein zwart stipje werd
dat als een razende over de heuvels zigzagde op zoek naar wild. Elke keer was
ik verbaasd dat hij met zijn neus zo dicht op de grond zo hard kon lopen en
niet eens tegen een boom aan knalde.
Die gure vrijdagmiddag ging het niet anders, terwijl onze
andere hond en ik rustig onze wandeling langs de rivier maakten, was Tinker onmiddellijk
uit het oog verdwenen en kwam niet te voorschijn toen we weer thuis waren. Jan
en ik maakten ons daar niet al te bezorgd over, dat deed Tinker wel vaker, over
een half uurtje zou hij wel weer dwingend aan het hek staan blaffen. Maar
Tinker kwam niet, ook niet op ons steeds angstiger geroep. Het werd namelijk al
snel donker en we begrepen dat als Tinker nu niet kwam, hij een nacht met zulke
lage temperaturen niet zou kunnen overleven.
Na een slapeloze nacht is Jan naar de jagers gestapt of ze
de vossenkooien wilden nakijken. Het komt nogal eens voor dat een hond of kat in
een wildvangkooi opgesloten raakt. We belden de politie en gingen naar de
burgemeester. Het nieuws van onze verloren geraakte Tinker ging als een lopend
vuurtje door het dorp en we kregen van iedereen hartverwarmende reacties en goedbedoelde
tips. Het leek er zelfs op dat we in de ogen van onze dorpsbewoners normaler
waren geworden, nu wij ook niet voor verdriet gespaard bleven.
De vrouw van de burgemeester nam ons in haar auto mee naar
een oude man die met zijn pendel al vele honden en katten had opgespoord. We
werden vriendelijk binnengelaten en op een stukje papier schreef de man Tinkers
naam. Een oud zakhorloge fungeerde als pendel. Hij bewoog! Tinker was nog in
leven. Uiteindelijk kwam de oude man tot de conclusie dat Tinker op een
boerderij in een naburig dorp moest zitten. We namen gehaast afscheid en zijn
met kloppend hart naar de boerderij gereden. De boerin had geen hond gezien en
op ons geroep kwam geen reactie. Er zat niets anders op om maar weer naar huis
te gaan, weliswaar met een klein gloeiend kooltje hoop in ons hart. We kregen
van de boerin een telefoonnummer mee van een helderziende, hij kon ons vast
helpen. Deze man vroeg me Tinker te beschrijven en vertelde me dat we ons niet zo
druk moest maken, over een paar dagen stond Tinker wel weer aan het hek.
Die paar dagen gingen voorbij. Overal hingen nu pamfletten,
asielen waren gemaild of gebeld en ik had eindeloze wandelingen in de omgeving
gemaakt in de hoop dat de plasjes van onze andere hond Tinker weer op de goede
weg naar huis zou brengen. We kregen telefoontjes van mensen die een zwarte
hond hadden gezien, maar de hond was natuurlijk al lang vertrokken als we op de
aangewezen plek kwamen. Wanhopig gingen we terug naar de oude man, maar zijn
pendel bleef dit keer stijf neer hangen en ook de helderziende kon ons alleen
nog maar vertellen dat Tinker waarschijnlijk verdronken was.
En dat laatste geloven we dat moet zijn gebeurd. De rivier
stroomt snel, maar verderop was een stuk waar het water min of meer tot
stilstand komt en licht bevroren was geraakt. Dit wist ik niet, totdat ik
tijdens mijn zoektocht over prikkeldraad was geklommen om verder langs de
rivier te kunnen lopen. Tinker moet daar de rivier zijn overgestoken, terwijl
het ijs nog te dun was.
Januari 2010
We wilden de Kerst eens lekker met z’n tweetjes doorbrengen.
Een beetje wegdromen bij de kachel, wat simpele hapjes met een lekker glas wijn,
een frisse wandeling. De familie vond de rit naar de Ardennen te koud en te
glad en dat geldt natuurlijk ook voor omgekeerde richting, dus niemand mopperde
over de gang van zaken.
Een paar dagen voor de Kerst liepen we een frans echtpaar
uit het dorp tegen het lijf dat ons belangstellend naar onze kerstplannen vroeg.
We vertelden hen opgetogen dat we dit jaar de dagen heerlijk met ons tweetjes
zouden doorbrengen, waarop het echtpaar ons verschrikt aankeek. Ze vonden onze
plannen maar een afschuwelijk idee en we werden ter plekke gedwongen kerstavond
bij hen door te brengen. Er werd nog aan de uitnodiging toegevoegd dat ze meer
eenzame mensen voor de Kerst hadden uitnodigd, wat Jan en ik een raar gevoel gaf
om bij die groep te worden ingedeeld. Nadat de afspraken duidelijk waren
vastgelegd zetten we onze wandeling voort. Jan en ik mopperend over onze
mislukte kerstplannen, het franse echtpaar tevreden glimlachend dat ze met
Kerst wederom een goede daad gingen verrichten.
Voor de Kerstavond zou een groep mensen worden uitgenodigd en
omdat we niet plompverloren wilden aanschuiven, hadden we beloofd ook wat
gerechten klaar te zullen maken. Twee dagen brachten we in een stomende keuken door
om de Fransen te bewijzen dat Nederlandse gerechten ook heel smakelijk kunnen
zijn.
Toen we op het afgesproken tijdstip voor de deur stonden, de
armen beladen met schalen - je moet hier trouwens precies op tijd komen - werd
er onthutst opengedaan. We hadden echt geen eten mee hoeven brengen! Een glimp
in de keuken, begreep ik meteen waarom, elk horizontaal plekje was bedekt met
eten en wat nog verwarrender was, we bleken de enige gasten! Was dit echtpaar op
Kerstavond zonder ons dan ook met zijn tweetjes geweest?
We werden direct naar de eettafel verwezen. De gastheer
schonk ons een zelfgestookt aperitiefje in van minstens 40%, waarop we met zijn
vieren al snel ontspannen aan het eerste gerecht begonnen. Een traditioneel
Ardens kerstgerecht zijn oesters en die ontbraken ook deze avond niet. Daar
waren we al een beetje bang voor toen we de enorme uitstalling van oesters in
de supermarkt hadden gezien. Maar een Hollander in den vreemde heeft wel voor
hetere vuren gestaan, dus ogen dicht, slikken en flink wat wijn er achterna en
op naar het volgende gerecht en het volgende en het volgende en het
volgende....
Tegen 12 uur ’s nachts kregen we het steeds benauwder, maar
we konden onze gastvrouw en gastheer niet teleurstellen door een gerecht te
weigeren, ze deden zo hun best om ons, eenzame Nederlanders, een onvergetelijke
Kerst te bezorgen.
Uiteindelijk kwam er toch een einde aan de avond en namen we
hartelijk, maar zeer opgelucht, afscheid. Echter voordat we in die heerlijk
frisse vrieslucht konden ontsnappen, moesten we wel plechtig beloven de
volgende dag om 12 uur terug te komen om de restjes op te eten. Dat was al over
een paar uur!
Na een onrustige nacht door te veel eten, te veel drank en
te veel frans, kropen we wederom aan die tafel. De oesters waren gelukkig op,
maar nu wachtten onze eigen schalen op ons. De drank sloot zich probleemloos
aan bij hun voorgangers van de vorige avond, het eten had echter veel meer moeite
om een plekje in onze maag te veroveren.
Na deze onvergetelijke franse hartelijkheid hebben we
besloten volgend jaar ruim voor de Kerst naar Nederland te vertrekken.
December 2009
Ik heb last van mijn geweten. Ik heb namelijk altijd de pest
aan jagers gehad. Het zijn mennekes die zich pas kerel voelen als ze een dier doodschieten.
Het zijn mennekes die zich in gevechtskleren hullen en in stoere auto’s rijden.
Het zijn mennekes die aan wildbeheer doen uit liefde voor de natuur, althans
dat willen ze je zo graag doen geloven.
Daar klopt niets van, niet in Nederland en in Frankrijk al evenmin.
De jagers van ons dorp hebben onderling een schema afgesproken wie en waar voor
de herten en everzwijnen wordt mais gestrooid. Dit voederplan wordt heel
overvloedig en consciëntieus uitgevoerd. Een dorpsgenote mopperde tegen me dat
ze dit jaar maar heel kort op vakantie was geweest vanwege het schema. Daar waar
mogelijk wordt zelfs een maisveldje aangelegd waar fazanten en reeën zich te
goed aan kunnen doen. Zodra het 1 oktober is geworden, is deze vertroetelarij plotsklaps
voorbij. De oorlog is verklaard. Dagelijks zie je in het groengehulde mennekes
zich verzamelen om vervolgens in een lange rij richting bos te rijden, één
menneke per auto. De honden hoor je in de kleine aanhangwagentjes uitzinnig
blaffen. Ze mogen na maanden eindelijk hun hokken weer uit, waardoor elk jaar
een aantal honden zijn baas zal kwijtraken en gaan zwerven. De timmerman laat
ons nog even op het laatste moment weten dat hij het toch te druk heeft voor de
opdracht. Ja, ja, te druk met jagen dus.
In onze vorige woonplaats was het nog treuriger gesteld met
de jacht. De baron kweekte in de zomermaanden honderden fazanten op en liet ze
in september vrij. De jonge vogels liepen overal verdwaasd rond, vliegen hadden
ze nog nooit gedaan. Je moest zelfs oppassen dat je niet met de auto over ze heen
reed. De fazanten kregen precies één maand de tijd om te verwilderen, daarna kwam
de baron met zijn geweer naar buiten. Met een tros dode vogels aan z’n arm
voelde hij zich eindelijk weer het heertje.
Vandaag kijk ik uit het raam en zie een groep jagers zich voor
onze deur verzamelen. Tot mijn verrassing zie ik er ook jonge kinderen tussen lopen.
Jong geleerd, oud gedaan, zo zal ook de toekomstige generatie zich geen vragen
stellen over wat ze aan het doen zijn. Ik word gedwongen hun trieste passie van
dichtbij gade te slaan. Stiekem hoop ik dat een jager in z’n eigen voet schiet.
Helaas is het al snel raak en sneuvelt een hert, geen jagersteen. Het beeld van
dat prachtige dier dat onderste boven aan zijn poten het veld wordt
overgedragen, raakt me diep. Vroeger gebeurde regelmatig een jachtongeluk. Zo’n
jager werd niet altijd per ongeluk overhoop geschoten. Er werd op deze manier wel
eens een vete beslecht. Nu zijn de jagers verplicht felgekleurde hesjes te
dragen waardoor de kans dat ze de ander raken een stuk kleiner is geworden Ik vind, als je persé wilt jagen, je net
zoveel risico moet lopen als het wild, dan pas ben je een echte oerman!
Dit is wat ik voel als ik jagers ontmoet, maar mijn gezicht
verraadt niets. Ik groet de heren jagers zelfs vriendelijk, want ik ken ze. In
Nederland was ik heel principieel en vertelde ik een jager onmiddellijk dat ik
hem maar een miezerig menneke vond om hem vervolgens triomfantelijk de rug toe
te draaien. In Nederland zijn mijn principes makkelijk vol te houden, je ontmoet
daar niet zoveel jagers. In dit franse dorp zijn de mannen allemaal jager!
Wat ben ik toch laf als ik voorzichtig tegen mijn mannelijke
dorpsgenoten zeg dat ik jagen niet zo leuk vind. De heren lachen me welwillend
toe en vinden het wel charmant zo’n sentimenteel Hollands vrouwtje, waarop we
genoeglijk samen ons glas leegdrinken.
November 2009
Uit alle hoeken van het dorp hoor je de kettingzaag gieren. We
kunnen er niet langer om heen. De herfst heeft zich nu echt gemeld en het is de
hoogste tijd om de houtstapel voor de kachel in orde te maken. Jan en ik zijn ruw
uit onze zomerse sluimer gewekt en bekijken bedenkelijk de meterslange muur van
hout dat nog tot vuurklare brokken moet worden gezaagd. Het motorzaagje hield
het bij onze eerste poging al voor gezien en Jan vond dat een goed excuus om
zich een professionele kettingzaag met stoer lawaai aan te schaffen. Je
manlijkheid staat hier namelijk al snel ter discussie en het geluid van een
snerpend kettingzaagje rijkt ver. Je wilt toch niet dat je dorpsgenoten horen
dat die Hollander met een vrouwenzaagje in de weer is?
Stookhout is hier trouwens goed geregeld. Het dorp bezit
percelen grond in het woud en elk jaar kunnen de dorpsbewoners zich inschrijven
voor een vak. De gemeente markeert vervolgens de bomen die mogen worden omgezaagd.
Op deze manier wordt het woud goed onderhouden en de dorpsbewoners hebben
goedkoop warmte.
We hebben een geweldige zomer gehad die al in maart begon en
tot ver in oktober heeft geduurd. Er is veel bezoek uit Nederland komen slapen
en we hebben met z’n allen genoten van zon en wijn en veel meer. We werden door
onze logees openlijk of heimelijk benijd, maar nu vraagt het Nederlandse bezoek
ons toch wat meewarrig hoe we hier de winter denken door te komen. Ze zien met
afgrijzen hoe de luiken één voor één stevig worden gesloten en het steeds
stiller wordt op straat. De koeien worden van het land gehaald en de tractoren
verdwijnen in de schuur. De kou slaat toe. Het enige bewijs dat er nog leven in
het dorp is zijn de rookpluimen uit de schoorstenen. Jan en ik leggen geduldig
uit dat we elkaar heus niet uit verveling ritueel zullen slachten, maar we zien
het ongeloof op de gezichten en stoppen ons betoog. We zwaaien het laatste
Nederlandse bezoek opgewekt uit en kijken elkaar tevreden aan. Heerlijk, weer
met zijn tweeën!
Binnen schuiven we twee luie stoelen bij de kachel die goedkeurend
snort op professioneel gezaagde houtblokken en ik haal een stapel boeken uit de
kast die we al maanden lang hebben willen lezen maar niet aan toe zijn gekomen.
Jan bekijkt wat kookboeken om ideeën op te doen voor de komende etentjes die we
gaan geven voor vrienden die ook het hele jaar hier wonen. We hebben al maanden
nauwelijks tijd voor elkaar gehad, want ook zij hebben een hele stromen visite
verwerkt en verheugen zich net als wij op de knusse wintermaanden in een huis waar
je je sokken weer kunt laten slingeren en de badkamer op kunt zonder eerst hard
te zingen.
We doen precies wat de fransen hier doen, we zetten ons
tempo op waakvlam, maken plannen voor het komende jaar en bekijken zorgvuldig het
weekkrantje waar concerten worden gegeven in de streek. Er wordt op cultureel
gebied namelijk best veel georganiseerd, maar helaas is de franse taal voor ons
een behoorlijke hinderpaal. Rustig gesproken frans komt nog wel aan, maar ze
moeten niet gaan zingen of ook nog eens grapjes gaan maken.
Vorig jaar werd in het dorp een cabaretachtige voorstelling
met veel muziek gegeven. Iedereen sprak zeer enthousiast over de komende
voorstelling, dus Jan en ik wilden niet wegblijven. De drie dames gaven inderdaad
een geweldig optreden, muzikaal werkelijk een hoogstandje. Eerlijk gezegd
verwachtten wij er niet zoveel van. Welke artiest wil er nu optreden in een
gehucht met 184 inwoners? Maar we zaten bewonderend te luisteren en we lachten
met het 40-koppige publiek even hard mee als er iets te lachen scheen. We
konden natuurlijk niet niet-lachen, dat zou heel erg opvallen en de dames
misschien uit hun rol brengen. We hadden immers geen bordje bij ons met “We
spreken geen frans, let niet op ons”. De dames kwamen steeds meer op dreef en
betrokken het publiek bij hun sketches. Zo werd een man door een van hen naar
voren getrokken en moest met haar iets doen achter het gordijn tot grote
hilariteit van het publiek. Jan en ik hebben hard meegelachen, zo overtuigend
zelfs, dat één van de dames naar Jan kwam en hem van alles toezong, weer tot
groot vermaak van de toehoorders. Wat heeft Jan om dat liedje moeten lachen!
Maar wat een geluk dat ze Jan niet hadden uitgekozen voor dat gedoe achter het
gordijn, heel hun scene zou in de soep zijn gedraaid.
Kortom we denken ook dit jaar de druilerige Nederlanse
winter prima te kunnen missen en mocht er toch heftige nood ontstaan dan zijn
we in een paar luttele uurtjes weer in het noorden voor boerenkool met worst.
Oktober 2009
We begroeten elkaar in de Ardennen met 4 kussen. Hieraan
valt niet te ontsnappen. Zo kus je al mensen waar je nog maar nauwelijks een frans
woord mee hebt gewisseld, begeleid door een gemompeld “Ça va?”. Je moet daarna
natuurlijk niet gaan uitwijden over je ziektes of andere narigheden, de vraag
is maar voor de aardigheid. Enkel je hand uitsteken wordt daarentegen algauw weer
opgevat van “ik ken je, maar blijf op afstand!” Ik heb al eens een onthutst
gezicht voor me gezien toen ik enkel een handje gaf; het niveau van de begroeting weer eens verkeerd ingeschat. Bij degenen
die je al redelijk goed kent, mag je de begroeting terugbrengen tot twee
kussen, maar regelmatig vindt de andere partij dat er toch doorgekust moet
worden tot vier en dan wordt het ineens zo’n rommelig geheel. Pff, ik heb nog
steeds niet begrepen waar de overgang van vier naar twee nou precies ligt. Je
kunt geen afwachtende houding aannemen want het kussen doe je toch met een
zeker enthousiasme. Ik voel me dan ook af-en-toe een domme kuskluns.
De fransen stellen beleefdheid zeer op prijs. Het is bijvoorbeeld
niet voldoende om vriendelijk “Bonjour!” te roepen, je moet ook het geslacht
van de aangeroepene erbij vermelden, dus: “Bonjour monsieur!” of “Bonjour
madame!”. Goed opletten, je kunt het soms flink mis hebben. Ik stam uit een
tijdperk waarin respect en beleefdheid min of meer in onbruik raakte, dus ik
betrap mezelf er regelmatig op dat ik niet beleefd genoeg bonjour. Helemaal
gefocust op de boodschap die ik wil gaan doen loop ik wel eens een winkel
binnen zonder netjes te bonjouren. Tja, en als ik dan al een tijdje binnensta
te wachten en plots mijn lompheid besef, klinkt zo’n late bonjour wel heel
nadrukkelijk.
Er wordt regelmatig naar ons gezwaaid en getoeterd. Jan en
ik voelen ons daardoor heel welkom in het dorp, maar ik ben wel zoiets als
gezichtsblind en dan brengt zo’n hartelijke groet me steevast in verwarring.
Waar kent die man mij van of waar ken ik hem van? Ik heb daarop een foefje bedacht.
Ik ben precies gaan onthouden in welke auto de mensen van het dorp rijden.
Gelukkig hebben ze hier geen leasebakken die na 3 jaar alweer vervangen worden
en geven de kentekenplaten aan uit welk departement de auto komt. Wij rijden in
de Ardennen met 08, terwijl de Marne 51 heeft en de Meuse 55. Die nummers zijn
trouwens alfabetisch verdeeld, behalve natuurlijk departement Parijs, die komt
heel logisch na de “S”. Dit kop-plus-auto-foefje werkte heel bevredigend totdat
het zomer werd en de chauffeur ineens niet meer naar me zwaaide. Op vele bekende
auto’s bleken plots andere departementnummers te hangen, en ja, toen had ik al enthousiast
gezwaaid. Gelukkig zijn al die systeemverstoorders intussen weer naar hun eigen
departement gebonjourd en kan ik weer met een gerust hart mijn hand opsteken. Alhoewel,
de nieuwe kentekenplaten zijn veranderd. Je mag helaas zelf kiezen of je het
departementnummer op je nummerplaat wilt hebben of niet.
Al dat gekus en gezwaai vind ik eerlijk gezegd best een
gedoe. Ik voel me soms net Beatrix. Alhoewel, zij kust niet en ze vindt een
zuinig handje meer dan voldoende. Ik kom dagelijks met de honden door het dorp
richting bos. De beesten hebben er altijd flink zin in en sleuren me de straat
door, ze willen van geen oponthoud weten, waardoor ik enkel nog half omhangend
kan zwaaien en bonjouren naar de dorpsbewoner die ik alweer een stuk alchter me
heb gelaten. Het schijnt een vermakelijk tafereel te zijn want ik word door
iedereen nageroepen dat ik rolschaatsen moet onderbinden. Ik vind het allemaal
prima, want ik hoef lekker niet te kussen! Ik heb bedacht tussen 12 en 2 te
gaan lopen met de honden, lekker rustig. Iedere fransman zit dan diep over zijn
bord gebogen en hoeft zich niet meer te vergapen aan een voorbij vliegende
Beatrix.
September 2009
Ons dorp is in rep en roer. Er is zomaar een groepje zigeuners
neergestreken, weliswaar net buiten het dorp - op het veldje naast ons huis - maar
je weet maar nooit straks worden het er steeds meer. Men is aardig tegen ze en
dan zeggen ze anderen dat ze hier ook moeten komen. Een vriendelijk onthaal heeft
aanzuigende werking menen mijn dorpsbewoners. Vandaar dat de families nog maar
net hun caravan hadden afgekoppeld of de politie verscheen ter tonele, spoedig
gevolgd door de burgemeester om de boodschap nog eens extra kracht bij te
zetten. In dit dorp zijn jullie niet gewenst!
Op het oog lijkt zo’n Gitane-leven hartstikke romantisch. Overal
en nergens is je thuis. Je bent zo vrij als een vogeltje. Geen hypotheek en
geen loondienst die als een molensteen om je nek hangen. Maar aan de andere
kant ben je nergens welkom. Hoe je ook je best doet, aan de slechte reputatie
valt niet te ontsnappen. Wat een afschuwelijk gevoel moet dat zijn als iedereen
je zo achterdochtig in de gaten houdt! Jan en ik wilden ons niet laten opjutten,
maar we hebben toch de achterdeur op slot gedaan en ik herinnerde me ineens dat
mijn moeder de was van de lijn haalde zodra zigeuners in het dorp waren
gesignaleerd en dat bij de Spar maar 1 zigeuner tegelijk de winkel binnen
mocht.
De burgemeester heeft ‘s avonds de straatlantaarns speciaal
in ons hoekje van het dorp aangestoken en mijn buren hebben de buitenlampen de
hele nacht laten branden. De boodschap was heel duidelijk; we vertrouwen jullie
voor geen demi baguette!
In de loop van de volgende ochtend waren ze er desondanks
nog. De burgemeester bracht hen nog maar eens een bezoekje. Eén caravan werd daarop
verplaatst en het leek erop dat ze de gastvrijheid van ons dorp inderdaad voor
gezien hielden. Jan werd gevraagd hoe lang het rijden was naar Buzancy; een
half uurtje, maar ’s avonds was het kampje er nog. Ze draaiden wat franse smartlappen
en verdwenen vervolgens in hun caravan om televisie te gaan kijken. Niks geen hoogoplaaiend
kampvuur met felle vioolmuziek en rondspattend temperament. Eén vader kwam
waggelend uit het café, trok de caravandeur met een bonk achter zich dicht en
toen was enkel nog het snorren van de generator het bewijs dat we nieuwe buren
hadden gekregen. Ze onderscheidden zich dus in niets van mijn dorpsbewoners,
alhoewel die misschien wat minder rustig sliepen die nacht.
Als je Vouziers binnen rijdt, zie je een klein zigeunerkampje.
Geen bijzonderheid want er zijn meer dan 700 000 zigeuners in Frankrijk en in Spanje zelfs nog veel
meer. In Vouziers woont de zigeunerfamilie het hele jaar door in drie
piepkleine caravanetjes. De wasmachine staat buiten en de bewoners meestal ook.
Afgelopen januari hebben we dagen van wel -20 graden vorst gehad en dan kun je
niet anders dan bewondering én medelijden hebben met deze taaie verschoppelingen.
Met genoegen zag ik dan ook dat in het voorjaar 1 caravannetje was vervangen
door een heuse stacaravan. Zou iemand zich hun lot hebben aangetrokken en een
stacaravan hebben geschonken of hadden ze die zelf bijelkaar gespaard?
Want dat vraag je je natuurlijk wel af, waar leven die
mensen van? De werkeloosheid is onder de lokale bevolking al fors en seizoensarbeid
is hier niet. Koolzaad, graan en mais worden met grote machines van het land
gehaald en daar heeft de boer geen zigeunerhulp bij nodig. Door de fransen
wordt stellig beweerd dat ze het vooral gemunt hebben op vakantiewoningen die ze
helemaal leeg roven. Voilà, klinkt wel erg aannemelijk, dus groeten we onze exotische
maar saaie buren vriendelijk en sluiten vervolgens stevig deuren en luiken.
Alleen, waar verstoppen ze al die geroofde spullen dan? In hun caravannetje?
Onze nieuwe buurtjes hebben hun gezapige leventje drie dagen
op het veldje weten vol te houden en waren weer net zo plotseling vertrokken
als ze gekomen waren. Een keurig dichtgebonden vuilniszak bij de straatlantaarn
als vaarwelgeschenk achterlatend. Ik hoop dat het hen goed gaat. De Gitanes van
Vouziers hadden geen geluk. De stacaravan brandde al na drie weken tot de grond
af en nu staan er weer drie caravannetjes en een wasmachine.
Augustus 2009
Elke dag zwerf ik met de honden door het bos. Het is efkes
doorzetten als het regent en koud is, maar eenmaal buiten is het toch lekker.
De lucht is heel zuiver en de stilte stil. Om het bos te bereiken moet ik eerst
een fikse heuvel beklimmen en dat gaat me steeds vlugger af. Kortom, ik word
hier hartstikke gezond.
Mijn dagelijkse tochten worden echter met verbazing door
mijn dorpsgenoten gade geslagen. Ze snappen er niets van. Telkens krijg ik
dezelfde vragen. Waar ga je naartoe? Hoelang? Hoe is het met je gezondheid? Om
dat laatste draait het dus; de meeste Fransen lopen niet voor hun lol. Een
wandelingetje wordt enkel op dringend dokters advies gemaakt. Laatst kwam zowaar
mijn buurvrouw door het dorp gestapt, en ja hoor, niet aangestoken door mijn
blozende wangen, maar om haar geopereerde knie te oefenen. Ze maakte gelijk van
de gelegenheid gebruik om met iedereen die ze tegenkwam het wel-en-wee van de
knie te bespreken. Zo werd haar dagelijkse loopje toch nog te doen.
Niemand komt op het idee dat ik het bos intrek om simpelweg
mijn honden uit te laten. Als ik dat zou zeggen, was ik waarschijnlijk gelijk
naar het land der gekke Hollanders verwezen. Een hond zet je in een hok of aan
de ketting en in het beste geval mag het dier in de tuin rondsjokken. In het
dorp zit een hond altijd aan een korte lijn op het balkon vast gebonden. Het
maakt niet uit wat voor weer; snikheet, ijskoud of kletsnat. Je verwacht dat
het dier intussen stapelgek is geworden, maar het tegendeel is waar. Hij blaft
nooit en de enkele keer dat hij weet te ontsnappen laat hij zich gewillig over
de kop aaien en een hapje voorschotelen. Zijn voorganger is door de dierenbescherming
in beslag genomen. Als dierenliefhebber zou ik wat voor deze hond moeten doen.
Maar ja, klein dorp, allochtoon, allemaal slappe redenen om bij het passeren
van dat huis liever de andere kant op te kijken.
Ik heb toch iets heel gewaagd gedaan. Langs de bosranden
worden vossenkooien gezet en in het midden van zo’n kooi zit een levende vogel
opgesloten, meestal een duif, maar laatst een mottig krielkipje. De vos komt op
de vogel af en de val klapt dicht. De vogel kan niet door de vos worden
opgegeten maar hij zit wel op een paar centimeter afstand van zijn doodsvijand.
Vermoedelijk probeert de vogel net zo lang door de tralies te ontsnappen dat
hij dood neervalt. Het lot van de vos laat zich ook raden. Ik heb dus een duif
bevrijd en ben op een drafje door gelopen. Diezelfde middag stopte een onbekende
4x4 voor het tuinhek en stapte een stevige vent uit. Ik schrok me te pletter!
Die kerel komt verhaal halen! Mijn hart bonsde zo hard dat ik in eerste
instantie niet begreep dat hij wilde weten waar de familie Payot woonde.
Ik vind regelmatig in de tuin poep met pitten van de
mirabelle erin. Reinaard de vos gaat gelukkig nog volop zijn gang en schuwt
zelfs de hoofdstraat niet. Je mag trouwens de vruchten uit het bos niet
ongekookt eten. De vos kan de vruchten hebben besmet en dat kan levercirrose
bij de mens veroorzaken. Een kwaal dat je in Frankrijk niet zo snel de vos de
schuld van zou geven!
Ik heb al heel wat mooie wandelingen ontdekt met behulp van
een gedetailleerde kaart. Laatst raakte ik verdwaald omdat ik dacht te weten
waar het pad op uit zou komen en dat was behoorlijk eng. Gelukkig kon ik
dezelfde weg weer terug vinden, want je komt maar zelden iemand in het bos
tegen. Als je iemand tegenkomt is het vaak een jager die het wild voert of
controleert. Ik heb dan de neiging om de honden dicht bij me te trekken en met
een vriendelijk knikje zo snel mogelijk door te lopen en zeker die ene keer
toen de man ineens zijn armen wijd spreidt en verrukt uitroept: “Het is weer
lente!”
Als je meerdere wandelaars op eenzame paden tegenkomt dan
kun je er om wedden dat het Nederlanders zijn. Je herkent elkaar trouwens al op
ruime afstand, zonder aan elkaar te hoeven snuffelen en dan krijg je het
grappige fenomeen dat je bij het passeren elkaar in je beste schoolfrans
toeroept: “Bonjour!”. We hopen schijnbaar dat de ander wordt misleid door dat
fraaie Bonjour en denkt: het zijn toch Fransen!
Juli 2009
Wij Nederlanders kunnen niet zonder “Gezellig”. Gezellig
kletsen met elkaar. Gezellig een glaasje wijn en een kaarsje er bij aan.
Gezellig een hapje eten met vrienden. En als we weer naar huis gaan kunnen we
nog eens innig tevreden tegen elkaar zeggen: “Het was gezellig, hè!”
De Fransen lijken het ook gezellig te hebben. Zitten zij
niet aan die lange tafels te eten en eindeloos te praten, wat wij Nederlanders
ook graag doen? Ik ben al vele malen aan zo’n lange tafel aangeschoven, maar
miste toch telkens weer die Hollandse
gezelligheid. Fransen willen zien wat ze op hun bord hebben liggen en hebben
liever een TL-bak aan dan een kaarsje. Tijdens de overvloedige maaltijd wordt
er uitgebreid over het eten gepraat, want dat doen Fransen graag, praten over eten. Ze kunnen zich geen
betere en gezondere gerechten voorstellen dan die uit hun eigen streekkeuken en
hebben een flink vooroordeel over het eten wat wij Nederlanders naar binnen
durven te werken. Het valt me niet mee om tegen zoveel chauvinisme op te boksen.
Misschien ligt het ook aan het feit dat ik de taal niet perfect beheers en daardoor
niet ad rem kan reageren dat ik die broodnodige gezelligheid nog steeds bij
mijn landgenoten moet zoeken. Mijn grapjes komen er te moeizaam uit en dan
denken mijn toehoorders al gauw dat ik iets serieus probeer te vertellen. En
als mijn nadere uitleg ook al niet helemaal lukt, begin ik het aan zo’n Franse
tafel al gauw heel ongezellig te vinden.
We zijn zo doordrenkt met onze eigen cultuur dat het
moeilijk is om die Hollandse bril af te zetten en je Franse omgeving met
niet-oordelende ogen te bekijken. Als je naar een programma kijkt als “Ik
Vertrek!” dan willen de Vertrekkers meestal het Nederlanse leven vol regeltjes
ontvluchten en denken in bijvoorbeeld Frankrijk een stressloos leven tegemoet
te gaan. Ze zijn nog niet de grens over of de stress loopt hoog op omdat ze in
Frankrijk geen Hollandse regeltjes kennen en vanwege het stressloze bestaan
absoluut geen haast hebben om jou met je zakelijke plannen vooruit te helpen.
Ze begrijpen niets van onze Hollandse haast en enthousiasme.
In de ogen van de bevolking van de Ardennen zijn de
Nederlanders heel rijk. Waarom willen de Nederlanders hier een onderneming
beginnen als ze al zoveel geld hebben?
In ons dorp woont een echtpaar die van €300 per maand moet
rondkomen. Ze rijden zelfs in een auto, nou ja auto. De heer des huizes liet me
laatst met trots zijn moestuin zien. Het aardappelveldje wordt gekweekt met
aardappelen die jagers in het bos hebben gegooid voor de everzwijnen en de
aardbijplantjes zijn nazaten van plantjes van de buren die door het hek waren
gegroeid. Hij heeft zelfs een perzikboom staan die hij uit een pit heeft groot
gebracht en stookhout kreeg of vond hij wel ergens. Zo weet hij met veel
creativiteit zich in zijn levensbehoefte te voorzien. Hij vertelde me blij dat
hij een heel goed leven heeft.
Aan het einde van de rondleiding voegde hij me ook nog
vriendelijk toe dat hij supergezond was en dat hij onafhankelijk van winkels
kon overleven. Niet zoals Madame! Hij beloofde me nog een bak kiwi’s voor mijn
gezondheid.
Helaas gunde hij me geen blik in zijn huis, alhoewel ik er
wel naar kan raden. Je mag dan wel een gevulde en gezonde buik hebben, je hebt
toch ook behoefte aan een beetje gezelligheid om je heen om je helemaal gezond
te voelen?
Na het gesprek met deze supergezonde dorpsgenoot heb ik mijn
Hollandse bril nog eens stevig op mijn neus gedrukt en Peter en Jeanine gebeld
of ze zin hebben in gezellig een bakkie te komen doen.
juni 2009
Ziedend ben ik. Als ik ze tegenkom sla ik ze plat! Ik ben ver
over de grens van mijn vegetarische tolerantie. Wekenlang heb ik het zaad uit
de zaaigrond gekeken en de enkeling die boven durfde komen teder in een potje
gevleid en gekoesterd. Scheen het zonnetje dan kregen ze een warm plekje
buiten, als het weer een beetje tegenzat werden ze terug naar de veiligheid van
de serre gebracht. Ik heb ze liefdevol over hun blaadjes geaaid zodat ze
stevige worteltjes kregen en aanmoedigend toegesproken. Eindelijk was het grote
moment aangebroken dat de plantjes groot genoeg waren geworden voor de echte
tuingrond. De zeldzame kaukakische campanula, het bijzondere siergras, de
wonderschone pekanjer kregen allemaal een zorgvuldig uitgekozen plekje. ’s
Avonds draaide ik mij nog eens tevreden in mijn bed om met zoveel tuingenot in
het verschiet.
’s Ochtends was ik al vroeg buiten om verder in de tuin te werken.
Tot mijn verbijstering zag ik geen plantjes meer of enkel nog een steeltje met een glibberig spoor
er tussen door. De tranen van frustratie sprongen mij in de ogen. Al die uren
werk waren in één nacht in de maag van de limace – oftewel naaktslak –
verdwenen. De beroerde beesten lagen nog her en der verspreid, te volgevreten
om een veilig heenkomen te zoeken voor de dag.
Ik ben graag in de tuin bezig en ik had mij van mijn franse
tuin veel voorgesteld. Er moest eerst heel veel onkruid worden opgeruimd maar
daarna zou ik de tuin helemaal naar eigen smaak gaan inrichten. Een engelse
bloementuin in Frankrijk moest het gaan worden met veel bijzondere planten. Ik
vond de franse tuinen maar saai, veel gras met wat struiken en dat kon beter, dacht
ik. De Fransen zetten of hangen wel overdadig veel potten met geraniums,
petunia’s en andere overbekende zomerbloeiers rond het huis. Het liefst in
spetterende kleuren. In juni en juli rijdt een groep juryleden van het departement
Ardennen door de dorpen en wie de mooiste bloemengevel heeft krijgt de
felbegeerde prijs. Het dorp kan ook als bloemendorp meedingen naar 1 of
meerdere sterren. Iedereen is dan ook reuze trots als hun dorp zich “village
fleuri” mag noemen. Mijn buurvrouw laat zich graag door deze competitiestrijd
meeslepen en hangt tientallen potten en bakken buiten. Ze fleurt haar bonte
bloemenweelde nog wat extra op met zilver- en goudkleurige linten zodat de
juryleden haar huis met geen mogelijkheid voorbij kunnen rijden zonder eerst
een zonnenbril op te zetten en dan kun je als hollandse tulp op klompen natuurlijk
niet achterblijven. Ik heb ook een heel regiment bloembakken buiten de tuinheg gesleept.
Nu ben ik een van de weinigen die het heerlijk vind als het gaat regenen. Efkes
geen gesjouw met die zware gieters! Vreemd eigenlijk, maar ik heb mijn
buurvrouw nog nooit haar planten water zien geven.
Mijn vorige tuin lag op zandgrond en ik denk nog veel met
heimwee terug aan die arme grond. Hier bestaat de grond uit zware klei. Klei
dat ik als kind op school in een brok kreeg om mee te kleien; vet, nat en zwaar.
Heerlijk vond ik het om de smurrie door mijn vingers te persen. Hier in
Frankrijk krijg ik de schop maar een paar centimeter de klei in, de grond is of
te nat of te droog. Als je de schep weer uit de grond trekt moet je het blad
eerst schoonmaken voordat je hem weer kunt gebruiken. Ik begin te beseffen dat
ik mijn tuinambities moet laten varen en net zoals de Fransen moet gaan microtuinieren
in bloempotten en de klei aan de natuur moet overlaten.
De natuur hier is wild en ongeremd en prachtig. Je ziet vele
planten in het wild staan die we in Nederland bij het tuincentrum kopen. In het
vroege voorjaar stonden in de bossen velden vol bosanemoontjes, lelietjes-van-dalen,
sleutelbloemen en zelfs een enkele boshyacint. Ondertussen zijn ze verdrongen
door wilde margrieten, koekoeksbloemen en vele andere planten waarvan ik de
naam niet ken en straks staan schurftkruid en wilde rozen in de hoofdrol. Ik
heb zelfs kattestaart bewonderd dat eerst opkomt als een soort bruine inktzwam
en later in het seizoen nog eens terugkomt als een hoge prehistorische plant.
Waarom maak ik me eigenlijk druk over een siertuin als de
natuur om me heen al zo’n ongelooflijk mooie tuin is? Ik kan met m’n handen op
de rug er doorheen wandelen zonder er iets voor hoeven te doen!
Mei 2009
Al een aantal dorpsbewoners weten me te vertellen waarom de
Nederlanders zo massaal in Frankrijk komen wonen. We vluchten voor de dreigende
waternoodramp! Als ik tegenwerp dat het gevaar wel meevalt en dat er al veel
inspanningen worden gedaan om de dijken te versterken, wordt er wat meewarrig
gelachen en krijg ik nog eens geduldig uitgelegd hoe ernstig het wel gesteld is
daar in Holland. Neen, hier in de Ardennen of eigenlijk nog preciezier, dit
dorp, is het beste plekje waar je kunt wonen, wordt me telkens ernstig voorgehouden.
Chauvinisme is de fransman aangeboren, daar kan hij niets aan doen. Ik doe dan
ook geen enkele moeite om over al die mooie dingen in Nederland te vertellen.
Om van die vermoeiende, vaak eenzijdige discussie over al dat nadere onheil af
te zijn, zeg ik maar voor de grap dat we onze huizen nu op boten bouwen. De
onheilsprofeet kijkt me pijnzend aan en knikt dan vervolgens goedkeurend. Die
Hollanders zijn toch nog zo stom niet.
Het is waar dat de autochtone fransman in deze streek over
het algemeen weinig aan het broeikaseffect schuld heeft. De mensen verlaten
niet graag hun dorp, enkel noodgedwongen voor de boodschappen bijvoorbeeld, en
vakantie wordt het liefst in eigen huis en tuin doorgebracht. De hoognodige
auto is minstens de tien jaar gepasseerd en wordt alleen ingewisseld voor een
nieuwer exemplaar als er echt geen leven meer in te schoppen is. Eén
dorpsbewoner moet zelfs eerst zijn auto de heuvel afduwen om hem aan de praat
te krijgen, maar dat stukje gymnastiek is voor hem nog steeds geen reden om
zijn spaarvarken aan te spreken voor een betrouwbaarder vervoermiddel.
De meesten dorpsbewoners verwarmen zich aan een houtkachel. Zo
kun je je elk jaar voor een stukje bos inschrijven om de gemerkte bomen te
mogen kappen voor stookhout. Het bos wordt daarmee goed onderhouden en de
mensen hebben goedkope brandstof. De gemeente gebruikt de kapinkomsten
uiteraard voor de algemene kosten van het dorp en als er wat overschiet wordt
er subsidie gegeven aan bijvoorbeeld het plaatselijk ziekenhuis.
Verder leven de mensen van hun moestuin en boomgaard. Helaas
kunnen er geen wilde asperges meer worden geplukt omdat de landbouwers te
rijkelijk gebruik hebben gemaakt van de gifspuit. Kikkerbilletjes zijn intussen
verboden en ook in de Ardennen sterven de bijenkolonies op mysterieuze wijze,
dus de supermarkt is een noodzakelijk kwaad geworden.
Een meubelboulevard zul je in deze streek trouwens ook niet
aantreffen, hooguit een winkelruimte waarin een paar meubelstukken te koop
staan aangeboden. De oudere generatie zul je hier niet als kooplustige
aantreffen. Zij zijn tevreden met de meubelstukken die al generaties in de
familie zijn doorgegeven.
Jan en ik zijn laatst bij Frederique en zijn vrouw
uitgenodigd voor een aperitief. Zij wonen in een groot, maar ernstig
verwaarloosd huis. Ik was altijd al nieuwsgierig hoe het daarbinnen uit zou
zien. Er moet toch iets van de vroegere grandeur terug te vinden zijn. Het
echtpaar bleek maar twee kamers te bewonen, een keukenachtige ruimte en en een
slaapkamer. Toen we door de voordeur binnenstapten, moest eerst een zwaar
gordijn weggeschoven worden. Zo’n gordijn tref je trouwens in veel woningen aan
en is bedoeld om de tocht tegen te houden. We stonden bij binnenkomst direct in
hun verblijfsruimte. Geen statige ontvangsthal, dus. In het midden stond een
grote tafel met het beroemde zeiltje erover, wat meubeltjes langs de kant en
een groot ouderwets fornuis, hun enige verwarming, nam de meeste ruimte in
beslag. Ondanks de schemer buiten èn binnen was de tl-verlichting niet aan. We
waren in een decor van de jaren twintig gestapt. Toen we na een paar glaasjes
naar buitenstommelden, zouden we ons bedrukt moeten voelen over zulke trieste armoede,
maar we weten intussen beter. Frederique bezit veel landbouwgrond en zijn oude sok
zal intussen goed gevuld zijn. Het zijn geen vrekken, deze generatie Ardennezen
hebben nooit luxe gekend en willen daar ook geen verandering meer in brengen.
Hun kinderen zijn wel weggetrokken voor een modern huis met plastic schrootjes
en breedbeeld TV. Zij komen alleen nog terug in de streek om het voormalig
ouderlijk huis als vakantiewoning te gebruiken.
Toch is de tijd niet voor iedereen stil blijven staan. Morgen
zijn we uitgenodigd voor een Tupperware Party, duurzaam plastic dat wel!
April 2009
We eten elke dag vers stokbrood. De bakker die bij ons
langskomt is helaas niet de beste bakker in de omgeving. De lekkerste bakker
bakt 15 kilometer van ons vandaan en die heeft geen bus. Onze bakker uit
datzelfde dorp heeft wel een bus en rijdt in een hoog tempo door de omliggende
dorpen. In het begin waren we telkens net te laat buiten om hem tegen te kunnen
houden. Ook al gingen we midden op de weg staan zwaaien, omkeren deed hij niet.
Het stopsysteem bleek heel simpel, ontdekten we later, je hangt een broodzak goed
zichtbaar buiten en dan stopt de bakker keurig voor de deur. Je kunt een briefje
en geld in de zak steken, maar je kunt ook naar buiten rennen en dan doet hij
de zijklep van de bestelbus open zodat je direct uit zijn winkeltje kunt
kiezen. Je kunt niet van die heerlijke slagroompunten kopen of uit een
eindeloos sortiment brood kiezen, daarvoor moet je in Nederland zijn. De franse
bakker houdt zijn werk liever simpel en overzichtelijk.
Er is heel weinig verkeer in het dorp dus de rond scheurende
bakker merk je onmiddellijk op, hij toetert ook af en toe hard voor de
slechthorenden onder ons. Helaas niet voor de hond die zo tevreden op straat in
het zonnetje lag te slapen. Ik vraag me af of de bakker in zijn hoge vaart de
hobbel wel heeft gevoeld. De hobbel was iedergeval plotsklaps in de hondenhemel
beland voordat hij een oog kon openen. De eigenaar heeft onbekommerd een nieuwe
hond aangeschaft en die zie je regelmatig rakelings voor een auto wegspringen.
De bakker heeft van het hele incident weinig geleerd, de wijsheid moet maar van
de hond komen.
We kunnen zo heerlijk met onze landgenoten mijmeren over
frans stokbrood met echte boter, wat brie of een plak boerenham met een glaasje
wijn er bij. Meer hoeft het niet te zijn om je gelukkig te voelen. Zulk hemels
stokbrood kunnen ze in Nederland niet bakken, daar zijn we het unaniem over
eens, totdat bij een hap stokbrood het wel heel erg kraakt in je mond - zo
knapperig was het brood toch ook weer niet? – en je een stuk kies uit je mond vist.
Het leven in Frankrijk is niet zonder risico.
Als eerste reactie schiet je in diepe ontkenning, dat stukje
is geen kies, maar een steentje dat in het brood is mee gebakken. Maar als je
tong telkens heimelijk naar dat gat in je mond trekt en zelfs pijnlijk wordt
door het schuren langs de ruwe kanten, moet je wel tot het besef komen dat je
werk hebt voor een tandarts.
Het onderwerp tandarts hebben we lange tijd voor ons uit
geschoven. Niet lang geleden vertelde een Nederlander dat hij last had van een
kroon in zijn mond en omdat hij voorlopig niet naar Nederland ging, besloot hij
de lokale tandarts een bezoek te brengen. Wat er precies mis ging in de
communicatie is tot op heden niet duidelijk, maar de tandarts heeft zonder
aarzeling de hele kroon uit zijn mond getrokken, waardoor alsnog voortijdig
naar Nederland moest worden afgereisd.
Met het stukje kies in mijn hand heb ik daarom besloten dat
ik voor een franse tandarts mijn mond nooit zal opendoen en dat het maar een
op-en-neertje Nederland moest worden. Niet dat ik zo’n blind vertrouwen heb in
mijn landgenoten die als tandarts aan de kost komen. Een aantal jaren geleden
heeft nog zo’n aardige meneer me naar een kamertje apart genomen omdat hij eens
met me wilde praten. Hij spiegelde me een toekomst van helse kiespijnen voor
als ik niet zeker een aantal kiezen liet vervangen door kronen. Toen ik piepend
vroeg wat me dat allemaal ging kosten ben ik van schrik weggerend en nooit meer
bij hem teruggekomen, want tijdens een second opinion bleek dat mijn gebit
prima in orde was.
Je zit in zo’n tandartsstoel vol overgave je mond open te
houden en je moet er maar op vertrouwen dat de man oprecht knutselwerk verricht
en niet een paar prima vullingkjes vervangt omdat hij wat extra inkomen kan
gebruiken. De tandarts waar ik zoveel kilometers voor over heb, heeft tenminste
een camera en laat op de monitor zien wat er aan je gebit moet gebeuren.
Terwijl mijn Nederlanse tandarts druk bezig is het vulsel
voor mijn holle kies te maken, keek ik vanuit de stoel in de tuin en zag ik dat
hij een groot zwembad had laten aanleggen.
maart 2009
Als je net ergens woont is het niet gemakkelijk om de juiste
mensen te vinden en hoop je maar dat de eerste beste loodgieter in de gele gids
ook een goede loodgieter is. We hadden meer dan dringend een verwarmingsmonteur
nodig die de oude oliestook weer tot leven zou kunnen brengen. We hadden ons inmiddels
in skipakken uitgedost in de hoop een beetje warm te blijven in dit grote,
tochtige huis en we hadden ons naar voorbeeld van de lokale bevolking
teruggetrokken in één ruimte en de luiken van de andere kamers stevig
dichtgedaan. Volgens goed frans gebruik blijven luiken de hele winter dicht om
pas in de loop van maart als het zonnetje er weer zin in lijkt te krijgen één
voor één open te gooien.
We konden een paar uurtjes in een ijskoud huis nog wel
vermakelijk vinden. We vertelden elkaar allerlei stoere verhalen uit onze
spartaanse jeugd toen we nog voor de kolenkachel werden gewassen en het rijp ’s
ochtends op de dekens lag. Moeder moest regelmatig mijn ogen uitwassen omdat
door de kou ’s nachts mijn ogen met pus waren dichtgeplakt en Jan wist te
vertellen dat hij met zijn adem een mooi rond gaatje maakte op de ramen met
ijsbloemen om naar buiten te kunnen kijken in de hoop dat het gesneeuwd had. Maar
ondanks onze hartverwarmende jeugdherinneringen gingen we toch steeds bezorgder
en vaker naar het raam om te kijken of het busje van de loodgieter niet in
zicht kwam.
De volgende morgen kwam hij eindelijk. Hij boog zich
onmiddellijk onder droef gemompel over onze antieke oliestook en Jan boog zich
bezorgd met hem mee. Gaandeweg werden steeds meer onderdelen op de vloer
uitgestald. Ik probeerde mijzelf gerust te stellen met de gedachte dat mijn
broers vroeger hun Puch regelmatig uit elkaar haalden en bij het weer in elkaar
zetten altijd pijnzend met een onderdeeltje bleven staan, maar hun brommer
daarna toch met 85 kilometer per uur door de stad konden jagen. Mijn moeder
heeft eens zo’n gek hoofdschuddend nagekeken, niet beseffend dat het haar
oudste zoon was die net een extra hoog stuur aan het uitproberen was.
Dan kijkt de loodgieter ineens op zijn horloge en vertrekt
met gierende vaart met achterlating van twee verbijsterde Nederlanders en al
zijn gereedschap. Het troostte me dat hij iedergeval terug zal komen om zijn eigendommen op te halen. We konden
hem dan zeggen dat hij zijn spullen niet terugkreeg voordat onze kachel het
weer deed, maar om twee uur was hij er weer en boog hij zich herboren over de
uitgestalde oliestook en Jan boog met hem mee.
Dit tafereel zouden we nog velen malen met ingehuurde krachten
meemaken. De lunch is voor de fransman namelijk heilig. Ze kunnen je al om 10
uur ’s ochtends met een verheerlijkt gezicht een fijne lunch toewensen. Als je
dan vertelt dat wij in Nederland tevreden zijn met een boterham met kaas,
kijken ze je meewarrig en meedelijdend aan. Goed eten en de eigen gezondheid is
een onderwerp waar de fransman intens door bezield kan raken.
Er komt regelmatig bij ons een frans hondje aanlopen om een
tijdje bij ons in de tuin te komen zitten, maar tegen 12 uur is ook hij
plotsklaps verdwenen en je ziet hem nooit voor 2 uur terug!
Geleidelijk plaatste de loodgieter alle onderdelen één voor
één in de oliestook terug en verving één onderdeel door een nieuw tweedehands
exemplaar. Ook voor een loodgieter is het in deze streek niet makkelijk direct
aan nieuwe onderdelen te komen en hij heeft dan ook in zijn bus een heel
assortiment tweedehandsjes. Het rode lampje werd een groen lampje en de
oliestook begon zich kreunend warm te stampen. We waren gered! Het
telefoonnummer van deze loodgieter hebben we gelijk in ons mobieltje geprogrammeerd.
Later werd ons in het dorp verteld dat deze loodgieter
weliswaar kundig is, maar uiterst onbetrouwbaar. Hij is eens al zijn afspraken niet
nagekomen omdat zijn moeder ziek was geworden. Hij is zonder bericht haar te
hulp geschoten en niet de onfortuinlijke klant met een lekkage. Lovenswaardig
zo’n toewijding aan je mamma, maar in ons mobieltje staat nu nog een
telefoonnummer, dat van zijn concurrent.
februari 2009
De temperatuurverschillen zijn in februari groot, ’s nachts
zakt de temperatuur tot wel -10 en ’s middags kunnen we in een t-shirtje op het
terras zitten, weliswaar in een beschut en zonnig hoekje.
Als de zon schijnt, dan willen we naar buiten, dus het was
een goede reden om de tuin eens aan te pakken. In Nederland zijn we gewend dat
een huis schoon wordt opgeleverd, maar in Frankrijk denken ze daar heel anders
over. Tijdens de verkoop van ons huis in Nederland hebben we alles gedaan om
het huis er op zijn voordeligst uit te laten zien; een lekker boenwasluchtje,
een paar vrolijke boeketten uit de tuin, glanzende ramen, een glimmende
badkamer, enzovoort. “Staging” noemen de engelsen dat zo mooi. Tijdens onze
zoektocht in Frankrijk leek het er op of de Fransen juist niet willen dat je
het huis mooi vindt. Je stapt over vies wasgoed en rondslingerend speelgoed, je
wordt afgeleid door een eigenaresse in ochtendjas omdat ze verkouden is en die
de makelaar belet zijn verkooppraatje te doen en buiten tel je de wrakken van
auto’s die de familie de laatste decennia in hebben gereden en waar de kippen dankbaar
gebruik van maken om eieren in te leggen. We hebben zelfs een huis bezocht waar
het gebit van de overleden heer des huizes nog in een glaasje water naast het bed
stond. Het huis dat wij betrokken bleek ook allesbehalve schoon opgeleverd en
al gauw hadden we een enorme berg afval dat naar de stort moest worden gebracht
en toen hadden we nog niet eens de tuin bekeken. De familie had blijkbaar een
stoelenfetisj. Overal vonden we kapotte stoelen tot zelfs hangend in de boom
naast oude pannen en nog meer ongerijmde decoratie. We ontdekten ook grote
hopen puin die in de zomer door gras en brandnetels aan onze aandacht waren
ontsnapt en tijdens een paar moeizame pogingen in de zware klei te spitten
kwamen er vele scherven van flessen naar boven. Het huis is vroeger een café-restaurant
geweest. We besloten voorlopig alleen op stoelenjacht te gaan, terwijl we ons
afvroegen waar we al die troep moesten heenbrengen. Tot voor kort was er een
stort buiten het dorp, heel handig tegen een stijle heuvel gelegen. Je brengt
je oude wasmachine tot aan de rand, geeft ‘m een flinke douw, en voila, binnen
de kortste keren is het ding uit het zicht verdwenen. Gelukkig is er nu een heus
containerpark ingericht waar je gratis(!) je grofvuil mag brengen onder het
strenge toezicht van een parkbeheerder. We bleken er wel 30 kilometer voor te
moet rijden en vele dorpsbewoners passen daardoor nog steeds de verdwijntruc op
de heuvelrand toe. Kortom de containerparkbeheerder werd de eerste Fransman
waarmee we een innige band hebben opgebouwd.
Het werd intussen de hoogste tijd om ons aan de burgemeester
voor te stellen. We hadden trouwens dringend een inschrijvingsbewijs nodig voor
de Nederlandse fiscus. Het gemeentehuis is maar twee avonden een uurtje open en
het was ons al een paar keer overkomen dat we te laat waren. We klommen een
grote kale trap op en vonden in het donker een deur dat naar de administratie
leidde. Op ons bescheiden klopje werd ons meegedeeld dat we moesten wachten. We
kregen alle tijd om het behang uit de jaren vijftig te bewonderen en een indruk
te krijgen hoe de Mairie er in zijn
glorietijd er uit zou moeten hebben gezien. Het dorp telde voor de eerste
wereldoorlog bijna 2000 zielen, terwijl wij ons nu als inwoner nummer 183 en
184 lieten registreren. De secretaresse en de burgemeester ontvingen ons
vriendelijk met de gebruikelijke handdruk, totdat we begonnen over een bewijs
van inschrijving. De burgemeester keek ons verbijsterd aan en hoopte dat zijn
secretaresse meer licht wist te werpen op deze vreemde wens. In Frankrijk
kennen ze blijkbaar geen registratie in de burgerlijke stand. De franse
belastingdienst schijnt meer over zijn belastingplichtige bevolking te weten,
maar hoe zij dan weer aan hun informatie komen? Enfin, toen kwamen er nog twee
mensen en dat werd de burgemeester allemaal te veel. Hij (of liever zijn
secretaresse) zou een brief schrijven dat we hier woonden en de brief bij ons
in de brievenbus doen. We moesten nu maar gauw gaan, het was zo druk vanavond!
Als we nog meer vragen hadden, moesten we een andere keer maar weer eens komen.
De brief vonden we inderdaad na een paar dagen in onze
brievenbus, in zesvoud zelfs!, maar de Nederlandse fiscus vond het geen afdoend
bewijs. Een fiscaalnummer daar hadden ze wat aan. Leuk jongens, hoe kom je daar
aan? En toen ging ook nog eens de verwarming kapot.
januari 2009
In Frankrijk moet een huis dat verkocht is daadwerkelijk
binnen enkele maanden zijn overgedragen aan de koper en zo kwam het dat we al
snel aan het gammele bureautje bij de franse notaris zaten. Een grotere
tegenstelling met de werkruimte van een Nederlandse notaris kun je je niet
voorstellen. In dat verveloze jaren vijftig interieur lagen de dossiers in een
nonchalante hoop tegen de muren opgestapeld, maar gelukkig lag ons dossier
klaar op zijn bureau en hoefde de secretaresse maar een enkele keer er aan te
pas komen om het dossier helemaal compleet te maken zodat de verkoop kon
doorgaan. Het was wel even spannend, want ons geld werd pas die ochtend op de
rekening van de notaris bijgeschreven, de banken hadden er wat langer op
“gezeten” dan nodig. Zoals dat nu ook in Nederland gaat, moet bij verkoop een
keuringsrapport van het huis worden opgemaakt en dat heeft een lijfig en zeer
gedetailleerd rapport opgeleverd. Zelfs de verf op deuren en plinten is op lood
gecontroleerd. We hadden de notaris vooraf verzocht de documenten naar ons te
mailen, zodat we ze goed konden bestuderen, de verkoper daarentegen had nog
niets gezien maar maakte zich er niet druk om. Onze franse makelaar had ons al
gegarandeerd dat alle documenten in orde waren, dus we hebben onze handtekening
zonder aarzeling gezet. Weer een mijlpaal bereikt in de lange en spannende weg
naar emigratie.
Drie weken later vertrokken we definitief naar Frankrijk met
twee honden en de katten in mandjes. We hebben héél netjes gereden. We mochten
niet worden aangehouden door de politie, want enkel de honden hadden de juiste
immigratiepapieren. De politie is sinds enkele maanden uitgerust met
snelheidmeters en is daar enthousiast mee aan het oefenen. Ze staan je
vriendelijk onderaan de heuvel op te wachten of verscholen in een dorp. Ze
spreken een mondje engels, dus je hoeft je niet van de domme te houden! Maar
ja, ze doen het niet zo maar, er werd gewoon veel te hard gereden en de actie
heeft duidelijk effect, bijna iedereen rijdt nu keurig.
De verhuiswagen volgde een aantal dagen later. De twee
verhuizers bleken gezellige kerels, gelukkig maar want het duurde drie dagen
voordat ze weer vertrokken en ze gingen alleen naar hun truck om te slapen.
Nadat ze waren weggereden, was het ineens heel stil in huis en waren Jan en ik voor
het eerst echt “alleen” onder de fransen, we zijn maar gauw verder gegaan met
verhuisdozen uitpakken. Wat verzamelt een mens toch een zooi om zich heen!
De honden bleken geen enkel probleem met hun emigratie te
hebben. Ze hadden al snel een otter in de rivier gejaagd en verdwenen de heuvel
op zodra we even de andere kant opkeken, maar dan moesten ze wel eerst door het
moeras. Gelukkig hebben we een enorme badkuip waar ze weer onder het modder
vandaan konden worden geschrobd. De katten daarentegen waren voorlopig niet van
plan hun nuffige neusjes buiten de deur te steken, het rook er te veel naar vos,
hermelijn, hert en zelfs wildzwijn!
Naar gelang de dagen voorbij gingen voelden we ons steeds
meer thuis in ons nieuwe, zonnige huis. We hebben geluk gehad, want nu zien we
pas dat de heuvel veel huizen in de winter in de schaduw houden en dat maakt
die huizen kil en vochtig. We begrijpen nu ook waarom makelaars huizen
aanprijzen als een droog huis. Het regenwater verzamelt zich onderaan een heuvel
en door de zware kleigrond komen weilanden in het natte seizoen regelmatig
blank te staan en de rivier leek in de zomermaanden zo’n vriendelijk beekje,
maar was nu veranderd in een razend monster dat grond van de boeren inpikt.
Jan heeft intussen zijn eerste franse les gehad. Hij sprak
een langswandelende dame aan omdat hij dacht dat zij de buurvrouw was. De dame
was duidelijk blij met het praatje en heeft hem uitgebreid verteld over het
gebied hier. We schijnen in een beschermd gebied te wonen, waar de dorpen ook
onder vallen. Althans dat denkt Jan te hebben begrepen van haar frans geratel.
We waren al door de dorpelingen gesignaleerd (en besproken). Ze was blij te
horen dat we hier ons vaste verblijf wilden maken en het huis niet enkel een
vakantiehuis werd. Ze vond al dat we erg veel troep hadden meegenomen voor een
vakantiewoning. Er stond inderdaad nog huisraad tegen de muren van het huis
aangeleund wachtend totdat de verstopping binnenshuis was opgelost. We wisten
toen nog niet wat voor verrassingen we in de tuin zouden gaan ontdekken.
December 2008
Wij wonen alweer bijna een jaar in het zuid-oostelijk puntje
van de Franse Ardennen. Wat kan het leven toch een rare wending nemen. Ik heb
al eens een jaar in Parijs gewoond en dat is niet leuk geweest en sindsdien is
mijn kijk op Frankrijk altijd door die ervaring fel gekleurd gebleven. De
fransen zijn onverschillig, ongeinteresseerd, afstandelijk, hautain... Ik had
altijd een lange lijst van eigenschappen paraat voor wat ik typisch frans
noemde.
Twee jaar geleden gingen we op bezoek bij kennissen die naar
de Ardennen waren verhuisd. Tot vlak voor vertrek heb ik tot mijn schaamte niet
anders geweten dan dat de Ardennen in België ligt en ik was dan ook verrast te
horen dat we naar noord Frankrijk gingen. Waarom zijn ze tussen die saaie en
eindeloze graanvelden van noord Frankrijk gaan wonen? Als je naar Frankrijk
gaat dan rij je toch zo hard mogelijk door tot ver voorbij Parijs?
In Givet net over de franse grens dronken we koffie op een
terrasje en wandelden we even langs de rivier. Ik kreeg een heerlijk blij
vakantiegevoel en besloot dat we zeker nog eens terug moesten gaan naar dit
leuke stadje als we meer tijd zouden hebben. Het was nog 1,5 uur rijden naar
onze kennissen en onderweg genoot ik van het prachtige heuvellandschap
afgewisseld door uitgestrekte bossen. Zij hadden een grote boerderij gekocht
met vrij uitzicht over het dal. Er moest nog veel aan opgeknapt worden, maar ze
waren vol plannen en ze vertelden zulke leuke verhalen. Op weg naar huis kon ik
enkel zuchten “goh, dat zou ik ook wel willen!”
De volgende dag zat mijn man al op internet het huizenaanbod
te bekijken. De huizenprijzen vielen ons tegen en ook van het plaatje van de
huizen werd je niet veel wijzer. De franse makelaars werken als cowboys in het
wilde westen en schuwen geen enkele praktijk om elkaars klanten en huizen af te
snoepen en doen daarom heel geheimzinnig over hun aanbod. Daarnaast zijn er ook
veel te veel makelaars en dan heb je ook nog de notaris die actief is op de
huizenmarkt. De fransen maken zich kennelijk niet druk over
belangenverstrengeling.
Kortom er zat ons niets anders op dan weer terug te gaan en persoonlijk
een makelaarskantoor binnen te stappen. Gelukkig wisten onze kennissen een degelijke
makelaar en hadden we al snel een aantal bezichtingen op het programma staan.
Spannend!! Pas op het allerlaatste moment onthult de makelaar waar het object
ligt en heb je soms nog steeds niet meer gezien dan een plaatje van
bijvoorbeeld een keuken of tuin met een omschrijving van het huis. De makelaar
rijdt voor je uit (hard!) en omdat hij meestal een groot gebied bestrijkt, kan
dat best wel even duren voordat je er bent. Meestal ben je door al die
landweggetjes al snel kwijt waar je precies op de kaart bent. Soms stopt hij
voor een pand waar je al direct van zegt: “rij maar door”, maar soms maakt je
hart een sprongetje.
Helaas zijn de fransen niet zuinig op hun erfgoed. Als ze
wat geld hebben, willen ze van die “oude rommel” af en plastic schrootjes,
liefst met een gouden randje, worden dan ook enthousiast op mooie vakwerkmuren getimmerd.
Vandaar dat we in enkele maanden tijd wel 22 huizen hadden gezien en het gebied
waarin we wilden wonen steeds groter werd. We zochten namelijk een huis waaraan
geen structurele verbouwingen meer nodig zijn. We kwamen ook nog eens flink onder
druk te staan, omdat ons huis bij de eerste bezichtiging direct was verkocht.
Menig nachtje heb ik me in bed liggen afvragen waaraan we in hemelsnaam waren
begonnen. Iedereen die van onze plannen hoorden, reageerden enthousiast en
hadden het zelf ook graag willen doen, maar dan kwamen er prompt een aantal “maren”
waarom ze het dus niet deden. En juist die “maren” kunnen ’s nachts zo door je
hoofd gaan spoken!
Uiteindelijk zijn we weer eens langs de makelaar van onze
kennissen gegaan en hem verteld van een huis dat op internet er zo leuk uitzag,
maar dat geadverteerd stond bij een makelaar waarmee wij beslist geen zaken
wilden doen. Helaas kende hij het huis niet. Tot onze verrassing belde hij ons
een aantal dagen later op. Hij had een bezichtiging voor ons geregeld. Wat
bleek, hij was de volgende dag - op zondag - in de auto gestapt en gaan
rondtoeren en had bij toeval het huis gevonden, aangebeld en de eigenaar een
bezichtiging afgedwongen! We zijn onmiddellijk in de auto gesprongen en toen we
achter de makelaar aan door een schitterende omgeving naar het dorp toe reden,
moesten we steeds harder naar elkaar glimlachen. Toen we voor het huis stil
hielden, keken we elkaar aan met dezelfde gedachte “We hebben ons huis
gevonden!”.
Marie
(wordt vervolgd)