de column

We hebben ons huis gevonden!

Verhalen, belevenissen en gebeurtenissen in een klein dorp in Frankrijk!

door Marie
maart 2010
februari 2010
januari 2010
december 2009
november 2009
oktober 2009
september 2009
augustus 2009
juli 2009
juni 2009
mei 2009
april 2009
maart 2009
februari 2009
januari 2009
december 2008
Maart 2010

Sinds we alweer een tijdje in de Franse Ardennen wonen, beseffen we pas goed hoeveel geluk we hebben gehad met het huis dat we direct na één bezichtiging hebben gekocht. Onze zoektocht naar het ideale huis heeft bijna een jaar geduurd. Dit huis was direct een coup de foudre, dus verstand op nul, we moesten en zouden het hebben.

We wonen aan de voet van een heuvel en het huis vangt veel zon, zelfs tijdens sombere winterdagen stroomt veel daglicht naar binnen. Dit is heel anders bij de huizen die tegen de heuvel zijn aan gebouwd. Huizen weliswaar met een prachtig uitzicht, maar... In de zomer valt het niet zo op, maar tijdens de wintermaanden wanneer de zon ver weg staat en de schaduwen lang zijn, zijn er huizen die deze maanden de hele dag in de schaduw blijven liggen. De mist blijft ook veel langer tegen de heuvels hangen dan in het dal. De bewoners van deze huizen leven deze maanden continue bij kunstlicht. De ramen zijn hier tradioneel ook nog eens klein om zoveel mogelijk warmte binnen te houden. Maar wat veel vervelender is, is dat deze huizen zeer vochtig en kil worden door het gebrek aan zonlicht. Ze zijn niet goed warm te stoken, omdat ramen, muren en daken niet zijn geïsoleerd. De mensen lijden dan ook aan winterdepressies en hebben vocht gerelateerde klachten.

In advertenties van makelaars wordt een huis aangeprezen als inondable en ook in het keuringsrapport wordt er aandacht aan besteed. We hebben dit nooit zo serieus genomen, maar nu weten we wel beter. Hoewel we aan de voet van de heuvel wonen, hebben we gelukkig nog geen water of vocht in huis gehad, terwijl het grondwaterpeil regelmatig zeer hoog staat. In natte seizoenen is de tuin voor de helft zelfs moerassig. De zware klei verhinderd namelijk een snelle drainage van het overtollige water dat van de heuvel stroomt. Zo gaat het nochtans in een normale seizoenen.

Maar wat gebeurt er als sneeuw gaat smelten of wanneer het langdurig regent? In korte tijd zwellen de rustig stromende rivieren Aire en Aisne op tot brullende monsters en treden op verscheidene plaatsen buiten hun oevers. Gelukkig is het hier zeer dun bevolkt en zijn er veel velden waar het water zonder veel schade in kan stromen, maar er zijn helaas ook plekken waar huizen staan en die wel degelijk gevaar lopen. Onlangs smolt een flink pak sneeuw in twee dagen weg en kwam er ineens een uitzonderlijke hoeveelheid water vrij. Rondom Vouziers was dat spectaculair om te zien. Het stadje was ingesloten geraakt door enorme meren.

Al 30 jaar worden heftige discussies over de hoge waterstanden van de rivieren aangeslingerd door Nature et Avenir. Ze hebben zelfs een stripboek over dit thema laten maken. Er worden allerlei mogelijkheden bedacht zoals het aanleggen van minidijken waarop wilgen worden aangeplant, dijken rondom dorpen en het aanwijzen van een permanent overstromingsgebied zoals nu sprake is bij Savigny-sur-Aisne. Critici wijzen er echter op dat het bewerken van de heuvels, de ontbossingen en drainages, aanleggen van heggen en dijken juist averechts hebben gewerkt en de overstromingen hebben doen toenemen en dat minstens 7 grote overstromingsgebieden nodig zullen zijn om plotselinge hoge waterstanden de baas te kunnen. Eéns in de 30 jaar zijn de overstromingen hier zelfs van rampzalige omvang en om dergelijke rampen voor te kunnen zijn is veel geld nodig.

Geld voor een goede oplossing waar iedereen tevreden mee kan zijn is er niet. De discussies zullen daarom nog wel blijven aanslepen. De mensen in overstromingsgebieden kunnen voorlopig niets anders doen dan gelaten het water hun huis binnen laten stromen. Ze zullen de stopkontakten hoog moeten aanbrengen en de inrichting van hun huis zo moeten aanpassen dat het water en de modder met zo min mogelijk schade weer verwijderd kan worden. Een bewoner van zo’n waterhuis vertelde dat het water ook nog wel eens wat aardigs zijn huis in voerde en dat probeerde hij er dan zo snel mogelijk uit te hengelen. Een schrale troost!

 

Februari 2010

Het nieuwe jaar was nog geen dag oud of het noodlot sloeg al toe. De temperaturen waren de laatste twee weken rap gedaald tot zelfs -20° ’s nachts. De mooie natuur veranderde in een kil winterlandschap waarbij de ijzige wind mens en dier zo snel mogelijk naar binnen joeg. Maar niet onze honden, die eisten zoals gewoonlijk hun wandeling op en er zat niet anders op dan mopperend mijn jas aan te trekken.

Onze Tinker is een niet helemaal raszuivere Whippet die was gefokt voor de Belgische hondenrenbaan. De fokker had gehoopt dat door de teef te laten paren met een iets gespierdere hond een nog betere hardloper te verkrijgen. Nou hardlopen kon Tinker inderdaad hard, maar van luisteren had hij nog nooit gehoord en daarom werd hij door zijn eigenaar maar gedumpt. Gelukkig voor ons want wij kregen aan Tinker een geweldige, zeer gevoelige hond die ons helaas ook dol maakte met zijn eigenwijzigheid en vooral tomeloze energie. Jarenlang fietsten we dagelijks zo’n 10 à 15 kilometer met hem voor wat rust in huis. Tinker was zijn korte carrière op de hondenrenbaan nog niet vergeten, want hij wenste niet door een auto of bromfiets te worden ingehaald. Zodra een auto dichter achterop kwam zette Tinker het zo hard op een lopen dat we hem met de fietspedalen niet meer konden bijhouden. We zijn dan ook regelmatig door voorbijgangers verbijsterd nagestaard!

Hier in de Ardennen fietsten we niet meer met Tinker, maar lieten we hem in de weilanden los waar hij pijlsnel een klein zwart stipje werd dat als een razende over de heuvels zigzagde op zoek naar wild. Elke keer was ik verbaasd dat hij met zijn neus zo dicht op de grond zo hard kon lopen en niet eens tegen een boom aan knalde.

Die gure vrijdagmiddag ging het niet anders, terwijl onze andere hond en ik rustig onze wandeling langs de rivier maakten, was Tinker onmiddellijk uit het oog verdwenen en kwam niet te voorschijn toen we weer thuis waren. Jan en ik maakten ons daar niet al te bezorgd over, dat deed Tinker wel vaker, over een half uurtje zou hij wel weer dwingend aan het hek staan blaffen. Maar Tinker kwam niet, ook niet op ons steeds angstiger geroep. Het werd namelijk al snel donker en we begrepen dat als Tinker nu niet kwam, hij een nacht met zulke lage temperaturen niet zou kunnen overleven.

Na een slapeloze nacht is Jan naar de jagers gestapt of ze de vossenkooien wilden nakijken. Het komt nogal eens voor dat een hond of kat in een wildvangkooi opgesloten raakt. We belden de politie en gingen naar de burgemeester. Het nieuws van onze verloren geraakte Tinker ging als een lopend vuurtje door het dorp en we kregen van iedereen hartverwarmende reacties en goedbedoelde tips. Het leek er zelfs op dat we in de ogen van onze dorpsbewoners normaler waren geworden, nu wij ook niet voor verdriet gespaard bleven.

De vrouw van de burgemeester nam ons in haar auto mee naar een oude man die met zijn pendel al vele honden en katten had opgespoord. We werden vriendelijk binnengelaten en op een stukje papier schreef de man Tinkers naam. Een oud zakhorloge fungeerde als pendel. Hij bewoog! Tinker was nog in leven. Uiteindelijk kwam de oude man tot de conclusie dat Tinker op een boerderij in een naburig dorp moest zitten. We namen gehaast afscheid en zijn met kloppend hart naar de boerderij gereden. De boerin had geen hond gezien en op ons geroep kwam geen reactie. Er zat niets anders op om maar weer naar huis te gaan, weliswaar met een klein gloeiend kooltje hoop in ons hart. We kregen van de boerin een telefoonnummer mee van een helderziende, hij kon ons vast helpen. Deze man vroeg me Tinker te beschrijven en vertelde me dat we ons niet zo druk moest maken, over een paar dagen stond Tinker wel weer aan het hek.

Die paar dagen gingen voorbij. Overal hingen nu pamfletten, asielen waren gemaild of gebeld en ik had eindeloze wandelingen in de omgeving gemaakt in de hoop dat de plasjes van onze andere hond Tinker weer op de goede weg naar huis zou brengen. We kregen telefoontjes van mensen die een zwarte hond hadden gezien, maar de hond was natuurlijk al lang vertrokken als we op de aangewezen plek kwamen. Wanhopig gingen we terug naar de oude man, maar zijn pendel bleef dit keer stijf neer hangen en ook de helderziende kon ons alleen nog maar vertellen dat Tinker waarschijnlijk verdronken was.

En dat laatste geloven we dat moet zijn gebeurd. De rivier stroomt snel, maar verderop was een stuk waar het water min of meer tot stilstand komt en licht bevroren was geraakt. Dit wist ik niet, totdat ik tijdens mijn zoektocht over prikkeldraad was geklommen om verder langs de rivier te kunnen lopen. Tinker moet daar de rivier zijn overgestoken, terwijl het ijs nog te dun was.

Januari 2010

We wilden de Kerst eens lekker met z’n tweetjes doorbrengen. Een beetje wegdromen bij de kachel, wat simpele hapjes met een lekker glas wijn, een frisse wandeling. De familie vond de rit naar de Ardennen te koud en te glad en dat geldt natuurlijk ook voor omgekeerde richting, dus niemand mopperde over de gang van zaken.

Een paar dagen voor de Kerst liepen we een frans echtpaar uit het dorp tegen het lijf dat ons belangstellend naar onze kerstplannen vroeg. We vertelden hen opgetogen dat we dit jaar de dagen heerlijk met ons tweetjes zouden doorbrengen, waarop het echtpaar ons verschrikt aankeek. Ze vonden onze plannen maar een afschuwelijk idee en we werden ter plekke gedwongen kerstavond bij hen door te brengen. Er werd nog aan de uitnodiging toegevoegd dat ze meer eenzame mensen voor de Kerst hadden uitnodigd, wat Jan en ik een raar gevoel gaf om bij die groep te worden ingedeeld. Nadat de afspraken duidelijk waren vastgelegd zetten we onze wandeling voort. Jan en ik mopperend over onze mislukte kerstplannen, het franse echtpaar tevreden glimlachend dat ze met Kerst wederom een goede daad gingen verrichten.

Voor de Kerstavond zou een groep mensen worden uitgenodigd en omdat we niet plompverloren wilden aanschuiven, hadden we beloofd ook wat gerechten klaar te zullen maken. Twee dagen brachten we in een stomende keuken door om de Fransen te bewijzen dat Nederlandse gerechten ook heel smakelijk kunnen zijn.

Toen we op het afgesproken tijdstip voor de deur stonden, de armen beladen met schalen - je moet hier trouwens precies op tijd komen - werd er onthutst opengedaan. We hadden echt geen eten mee hoeven brengen! Een glimp in de keuken, begreep ik meteen waarom, elk horizontaal plekje was bedekt met eten en wat nog verwarrender was, we bleken de enige gasten! Was dit echtpaar op Kerstavond zonder ons dan ook met zijn tweetjes geweest?

We werden direct naar de eettafel verwezen. De gastheer schonk ons een zelfgestookt aperitiefje in van minstens 40%, waarop we met zijn vieren al snel ontspannen aan het eerste gerecht begonnen. Een traditioneel Ardens kerstgerecht zijn oesters en die ontbraken ook deze avond niet. Daar waren we al een beetje bang voor toen we de enorme uitstalling van oesters in de supermarkt hadden gezien. Maar een Hollander in den vreemde heeft wel voor hetere vuren gestaan, dus ogen dicht, slikken en flink wat wijn er achterna en op naar het volgende gerecht en het volgende en het volgende en het volgende....

Tegen 12 uur ’s nachts kregen we het steeds benauwder, maar we konden onze gastvrouw en gastheer niet teleurstellen door een gerecht te weigeren, ze deden zo hun best om ons, eenzame Nederlanders, een onvergetelijke Kerst te bezorgen.

Uiteindelijk kwam er toch een einde aan de avond en namen we hartelijk, maar zeer opgelucht, afscheid. Echter voordat we in die heerlijk frisse vrieslucht konden ontsnappen, moesten we wel plechtig beloven de volgende dag om 12 uur terug te komen om de restjes op te eten. Dat was al over een paar uur!

Na een onrustige nacht door te veel eten, te veel drank en te veel frans, kropen we wederom aan die tafel. De oesters waren gelukkig op, maar nu wachtten onze eigen schalen op ons. De drank sloot zich probleemloos aan bij hun voorgangers van de vorige avond, het eten had echter veel meer moeite om een plekje in onze maag te veroveren.

Na deze onvergetelijke franse hartelijkheid hebben we besloten volgend jaar ruim voor de Kerst naar Nederland te vertrekken.

December 2009

Ik heb last van mijn geweten. Ik heb namelijk altijd de pest aan jagers gehad. Het zijn mennekes die zich pas kerel voelen als ze een dier doodschieten. Het zijn mennekes die zich in gevechtskleren hullen en in stoere auto’s rijden. Het zijn mennekes die aan wildbeheer doen uit liefde voor de natuur, althans dat willen ze je zo graag doen geloven.

Daar klopt niets van, niet in Nederland en in Frankrijk al evenmin. De jagers van ons dorp hebben onderling een schema afgesproken wie en waar voor de herten en everzwijnen wordt mais gestrooid. Dit voederplan wordt heel overvloedig en consciëntieus uitgevoerd. Een dorpsgenote mopperde tegen me dat ze dit jaar maar heel kort op vakantie was geweest vanwege het schema. Daar waar mogelijk wordt zelfs een maisveldje aangelegd waar fazanten en reeën zich te goed aan kunnen doen. Zodra het 1 oktober is geworden, is deze vertroetelarij plotsklaps voorbij. De oorlog is verklaard. Dagelijks zie je in het groengehulde mennekes zich verzamelen om vervolgens in een lange rij richting bos te rijden, één menneke per auto. De honden hoor je in de kleine aanhangwagentjes uitzinnig blaffen. Ze mogen na maanden eindelijk hun hokken weer uit, waardoor elk jaar een aantal honden zijn baas zal kwijtraken en gaan zwerven. De timmerman laat ons nog even op het laatste moment weten dat hij het toch te druk heeft voor de opdracht. Ja, ja, te druk met jagen dus.

In onze vorige woonplaats was het nog treuriger gesteld met de jacht. De baron kweekte in de zomermaanden honderden fazanten op en liet ze in september vrij. De jonge vogels liepen overal verdwaasd rond, vliegen hadden ze nog nooit gedaan. Je moest zelfs oppassen dat je niet met de auto over ze heen reed. De fazanten kregen precies één maand de tijd om te verwilderen, daarna kwam de baron met zijn geweer naar buiten. Met een tros dode vogels aan z’n arm voelde hij zich eindelijk weer het heertje.

Vandaag kijk ik uit het raam en zie een groep jagers zich voor onze deur verzamelen. Tot mijn verrassing zie ik er ook jonge kinderen tussen lopen. Jong geleerd, oud gedaan, zo zal ook de toekomstige generatie zich geen vragen stellen over wat ze aan het doen zijn. Ik word gedwongen hun trieste passie van dichtbij gade te slaan. Stiekem hoop ik dat een jager in z’n eigen voet schiet. Helaas is het al snel raak en sneuvelt een hert, geen jagersteen. Het beeld van dat prachtige dier dat onderste boven aan zijn poten het veld wordt overgedragen, raakt me diep. Vroeger gebeurde regelmatig een jachtongeluk. Zo’n jager werd niet altijd per ongeluk overhoop geschoten. Er werd op deze manier wel eens een vete beslecht. Nu zijn de jagers verplicht felgekleurde hesjes te dragen waardoor de kans dat ze de ander raken een stuk kleiner is geworden  Ik vind, als je persé wilt jagen, je net zoveel risico moet lopen als het wild, dan pas ben je een echte oerman!

Dit is wat ik voel als ik jagers ontmoet, maar mijn gezicht verraadt niets. Ik groet de heren jagers zelfs vriendelijk, want ik ken ze. In Nederland was ik heel principieel en vertelde ik een jager onmiddellijk dat ik hem maar een miezerig menneke vond om hem vervolgens triomfantelijk de rug toe te draaien. In Nederland zijn mijn principes makkelijk vol te houden, je ontmoet daar niet zoveel jagers. In dit franse dorp zijn de mannen allemaal jager!

Wat ben ik toch laf als ik voorzichtig tegen mijn mannelijke dorpsgenoten zeg dat ik jagen niet zo leuk vind. De heren lachen me welwillend toe en vinden het wel charmant zo’n sentimenteel Hollands vrouwtje, waarop we genoeglijk samen ons glas leegdrinken.

November 2009

Uit alle hoeken van het dorp hoor je de kettingzaag gieren. We kunnen er niet langer om heen. De herfst heeft zich nu echt gemeld en het is de hoogste tijd om de houtstapel voor de kachel in orde te maken. Jan en ik zijn ruw uit onze zomerse sluimer gewekt en bekijken bedenkelijk de meterslange muur van hout dat nog tot vuurklare brokken moet worden gezaagd. Het motorzaagje hield het bij onze eerste poging al voor gezien en Jan vond dat een goed excuus om zich een professionele kettingzaag met stoer lawaai aan te schaffen. Je manlijkheid staat hier namelijk al snel ter discussie en het geluid van een snerpend kettingzaagje rijkt ver. Je wilt toch niet dat je dorpsgenoten horen dat die Hollander met een vrouwenzaagje in de weer is?

Stookhout is hier trouwens goed geregeld. Het dorp bezit percelen grond in het woud en elk jaar kunnen de dorpsbewoners zich inschrijven voor een vak. De gemeente markeert vervolgens de bomen die mogen worden omgezaagd. Op deze manier wordt het woud goed onderhouden en de dorpsbewoners hebben goedkoop warmte.

We hebben een geweldige zomer gehad die al in maart begon en tot ver in oktober heeft geduurd. Er is veel bezoek uit Nederland komen slapen en we hebben met z’n allen genoten van zon en wijn en veel meer. We werden door onze logees openlijk of heimelijk benijd, maar nu vraagt het Nederlandse bezoek ons toch wat meewarrig hoe we hier de winter denken door te komen. Ze zien met afgrijzen hoe de luiken één voor één stevig worden gesloten en het steeds stiller wordt op straat. De koeien worden van het land gehaald en de tractoren verdwijnen in de schuur. De kou slaat toe. Het enige bewijs dat er nog leven in het dorp is zijn de rookpluimen uit de schoorstenen. Jan en ik leggen geduldig uit dat we elkaar heus niet uit verveling ritueel zullen slachten, maar we zien het ongeloof op de gezichten en stoppen ons betoog. We zwaaien het laatste Nederlandse bezoek opgewekt uit en kijken elkaar tevreden aan. Heerlijk, weer met zijn tweeën!

Binnen schuiven we twee luie stoelen bij de kachel die goedkeurend snort op professioneel gezaagde houtblokken en ik haal een stapel boeken uit de kast die we al maanden lang hebben willen lezen maar niet aan toe zijn gekomen. Jan bekijkt wat kookboeken om ideeën op te doen voor de komende etentjes die we gaan geven voor vrienden die ook het hele jaar hier wonen. We hebben al maanden nauwelijks tijd voor elkaar gehad, want ook zij hebben een hele stromen visite verwerkt en verheugen zich net als wij op de knusse wintermaanden in een huis waar je je sokken weer kunt laten slingeren en de badkamer op kunt zonder eerst hard te zingen.

We doen precies wat de fransen hier doen, we zetten ons tempo op waakvlam, maken plannen voor het komende jaar en bekijken zorgvuldig het weekkrantje waar concerten worden gegeven in de streek. Er wordt op cultureel gebied namelijk best veel georganiseerd, maar helaas is de franse taal voor ons een behoorlijke hinderpaal. Rustig gesproken frans komt nog wel aan, maar ze moeten niet gaan zingen of ook nog eens grapjes gaan maken.

Vorig jaar werd in het dorp een cabaretachtige voorstelling met veel muziek gegeven. Iedereen sprak zeer enthousiast over de komende voorstelling, dus Jan en ik wilden niet wegblijven. De drie dames gaven inderdaad een geweldig optreden, muzikaal werkelijk een hoogstandje. Eerlijk gezegd verwachtten wij er niet zoveel van. Welke artiest wil er nu optreden in een gehucht met 184 inwoners? Maar we zaten bewonderend te luisteren en we lachten met het 40-koppige publiek even hard mee als er iets te lachen scheen. We konden natuurlijk niet niet-lachen, dat zou heel erg opvallen en de dames misschien uit hun rol brengen. We hadden immers geen bordje bij ons met “We spreken geen frans, let niet op ons”. De dames kwamen steeds meer op dreef en betrokken het publiek bij hun sketches. Zo werd een man door een van hen naar voren getrokken en moest met haar iets doen achter het gordijn tot grote hilariteit van het publiek. Jan en ik hebben hard meegelachen, zo overtuigend zelfs, dat één van de dames naar Jan kwam en hem van alles toezong, weer tot groot vermaak van de toehoorders. Wat heeft Jan om dat liedje moeten lachen! Maar wat een geluk dat ze Jan niet hadden uitgekozen voor dat gedoe achter het gordijn, heel hun scene zou in de soep zijn gedraaid.

Kortom we denken ook dit jaar de druilerige Nederlanse winter prima te kunnen missen en mocht er toch heftige nood ontstaan dan zijn we in een paar luttele uurtjes weer in het noorden voor boerenkool met worst.

Oktober 2009

We begroeten elkaar in de Ardennen met 4 kussen. Hieraan valt niet te ontsnappen. Zo kus je al mensen waar je nog maar nauwelijks een frans woord mee hebt gewisseld, begeleid door een gemompeld “Ça va?”. Je moet daarna natuurlijk niet gaan uitwijden over je ziektes of andere narigheden, de vraag is maar voor de aardigheid. Enkel je hand uitsteken wordt daarentegen algauw weer opgevat van “ik ken je, maar blijf op afstand!” Ik heb al eens een onthutst gezicht voor me gezien toen ik enkel een handje gaf; het niveau van de  begroeting weer eens verkeerd ingeschat. Bij degenen die je al redelijk goed kent, mag je de begroeting terugbrengen tot twee kussen, maar regelmatig vindt de andere partij dat er toch doorgekust moet worden tot vier en dan wordt het ineens zo’n rommelig geheel. Pff, ik heb nog steeds niet begrepen waar de overgang van vier naar twee nou precies ligt. Je kunt geen afwachtende houding aannemen want het kussen doe je toch met een zeker enthousiasme. Ik voel me dan ook af-en-toe een domme kuskluns.

De fransen stellen beleefdheid zeer op prijs. Het is bijvoorbeeld niet voldoende om vriendelijk “Bonjour!” te roepen, je moet ook het geslacht van de aangeroepene erbij vermelden, dus: “Bonjour monsieur!” of   “Bonjour madame!”. Goed opletten, je kunt het soms flink mis hebben. Ik stam uit een tijdperk waarin respect en beleefdheid min of meer in onbruik raakte, dus ik betrap mezelf er regelmatig op dat ik niet beleefd genoeg bonjour. Helemaal gefocust op de boodschap die ik wil gaan doen loop ik wel eens een winkel binnen zonder netjes te bonjouren. Tja, en als ik dan al een tijdje binnensta te wachten en plots mijn lompheid besef, klinkt zo’n late bonjour wel heel nadrukkelijk.

Er wordt regelmatig naar ons gezwaaid en getoeterd. Jan en ik voelen ons daardoor heel welkom in het dorp, maar ik ben wel zoiets als gezichtsblind en dan brengt zo’n hartelijke groet me steevast in verwarring. Waar kent die man mij van of waar ken ik hem van? Ik heb daarop een foefje bedacht. Ik ben precies gaan onthouden in welke auto de mensen van het dorp rijden. Gelukkig hebben ze hier geen leasebakken die na 3 jaar alweer vervangen worden en geven de kentekenplaten aan uit welk departement de auto komt. Wij rijden in de Ardennen met 08, terwijl de Marne 51 heeft en de Meuse 55. Die nummers zijn trouwens alfabetisch verdeeld, behalve natuurlijk departement Parijs, die komt heel logisch na de “S”. Dit kop-plus-auto-foefje werkte heel bevredigend totdat het zomer werd en de chauffeur ineens niet meer naar me zwaaide. Op vele bekende auto’s bleken plots andere departementnummers te hangen, en ja, toen had ik al enthousiast gezwaaid. Gelukkig zijn al die systeemverstoorders intussen weer naar hun eigen departement gebonjourd en kan ik weer met een gerust hart mijn hand opsteken. Alhoewel, de nieuwe kentekenplaten zijn veranderd. Je mag helaas zelf kiezen of je het departementnummer op je nummerplaat wilt hebben of niet.

Al dat gekus en gezwaai vind ik eerlijk gezegd best een gedoe. Ik voel me soms net Beatrix. Alhoewel, zij kust niet en ze vindt een zuinig handje meer dan voldoende. Ik kom dagelijks met de honden door het dorp richting bos. De beesten hebben er altijd flink zin in en sleuren me de straat door, ze willen van geen oponthoud weten, waardoor ik enkel nog half omhangend kan zwaaien en bonjouren naar de dorpsbewoner die ik alweer een stuk alchter me heb gelaten. Het schijnt een vermakelijk tafereel te zijn want ik word door iedereen nageroepen dat ik rolschaatsen moet onderbinden. Ik vind het allemaal prima, want ik hoef lekker niet te kussen! Ik heb bedacht tussen 12 en 2 te gaan lopen met de honden, lekker rustig. Iedere fransman zit dan diep over zijn bord gebogen en hoeft zich niet meer te vergapen aan een voorbij vliegende Beatrix.

September 2009

Ons dorp is in rep en roer. Er is zomaar een groepje zigeuners neergestreken, weliswaar net buiten het dorp - op het veldje naast ons huis - maar je weet maar nooit straks worden het er steeds meer. Men is aardig tegen ze en dan zeggen ze anderen dat ze hier ook moeten komen. Een vriendelijk onthaal heeft aanzuigende werking menen mijn dorpsbewoners. Vandaar dat de families nog maar net hun caravan hadden afgekoppeld of de politie verscheen ter tonele, spoedig gevolgd door de burgemeester om de boodschap nog eens extra kracht bij te zetten. In dit dorp zijn jullie niet gewenst!

Op het oog lijkt zo’n Gitane-leven hartstikke romantisch. Overal en nergens is je thuis. Je bent zo vrij als een vogeltje. Geen hypotheek en geen loondienst die als een molensteen om je nek hangen. Maar aan de andere kant ben je nergens welkom. Hoe je ook je best doet, aan de slechte reputatie valt niet te ontsnappen. Wat een afschuwelijk gevoel moet dat zijn als iedereen je zo achterdochtig in de gaten houdt! Jan en ik wilden ons niet laten opjutten, maar we hebben toch de achterdeur op slot gedaan en ik herinnerde me ineens dat mijn moeder de was van de lijn haalde zodra zigeuners in het dorp waren gesignaleerd en dat bij de Spar maar 1 zigeuner tegelijk de winkel binnen mocht.

De burgemeester heeft ‘s avonds de straatlantaarns speciaal in ons hoekje van het dorp aangestoken en mijn buren hebben de buitenlampen de hele nacht laten branden. De boodschap was heel duidelijk; we vertrouwen jullie voor geen demi baguette!

In de loop van de volgende ochtend waren ze er desondanks nog. De burgemeester bracht hen nog maar eens een bezoekje. Eén caravan werd daarop verplaatst en het leek erop dat ze de gastvrijheid van ons dorp inderdaad voor gezien hielden. Jan werd gevraagd hoe lang het rijden was naar Buzancy; een half uurtje, maar ’s avonds was het kampje er nog. Ze draaiden wat franse smartlappen en verdwenen vervolgens in hun caravan om televisie te gaan kijken. Niks geen hoogoplaaiend kampvuur met felle vioolmuziek en rondspattend temperament. Eén vader kwam waggelend uit het café, trok de caravandeur met een bonk achter zich dicht en toen was enkel nog het snorren van de generator het bewijs dat we nieuwe buren hadden gekregen. Ze onderscheidden zich dus in niets van mijn dorpsbewoners, alhoewel die misschien wat minder rustig sliepen die nacht.

Als je Vouziers binnen rijdt, zie je een klein zigeunerkampje. Geen bijzonderheid want er zijn meer dan 700 000 zigeuners in Frankrijk en in Spanje zelfs nog veel meer. In Vouziers woont de zigeunerfamilie het hele jaar door in drie piepkleine caravanetjes. De wasmachine staat buiten en de bewoners meestal ook. Afgelopen januari hebben we dagen van wel -20 graden vorst gehad en dan kun je niet anders dan bewondering én medelijden hebben met deze taaie verschoppelingen. Met genoegen zag ik dan ook dat in het voorjaar 1 caravannetje was vervangen door een heuse stacaravan. Zou iemand zich hun lot hebben aangetrokken en een stacaravan hebben geschonken of hadden ze die zelf bijelkaar gespaard?

Want dat vraag je je natuurlijk wel af, waar leven die mensen van? De werkeloosheid is onder de lokale bevolking al fors en seizoensarbeid is hier niet. Koolzaad, graan en mais worden met grote machines van het land gehaald en daar heeft de boer geen zigeunerhulp bij nodig. Door de fransen wordt stellig beweerd dat ze het vooral gemunt hebben op vakantiewoningen die ze helemaal leeg roven. Voilà, klinkt wel erg aannemelijk, dus groeten we onze exotische maar saaie buren vriendelijk en sluiten vervolgens stevig deuren en luiken. Alleen, waar verstoppen ze al die geroofde spullen dan? In hun caravannetje?

Onze nieuwe buurtjes hebben hun gezapige leventje drie dagen op het veldje weten vol te houden en waren weer net zo plotseling vertrokken als ze gekomen waren. Een keurig dichtgebonden vuilniszak bij de straatlantaarn als vaarwelgeschenk achterlatend. Ik hoop dat het hen goed gaat. De Gitanes van Vouziers hadden geen geluk. De stacaravan brandde al na drie weken tot de grond af en nu staan er weer drie caravannetjes en een wasmachine.

 

Augustus 2009

Elke dag zwerf ik met de honden door het bos. Het is efkes doorzetten als het regent en koud is, maar eenmaal buiten is het toch lekker. De lucht is heel zuiver en de stilte stil. Om het bos te bereiken moet ik eerst een fikse heuvel beklimmen en dat gaat me steeds vlugger af. Kortom, ik word hier hartstikke gezond.

Mijn dagelijkse tochten worden echter met verbazing door mijn dorpsgenoten gade geslagen. Ze snappen er niets van. Telkens krijg ik dezelfde vragen. Waar ga je naartoe? Hoelang? Hoe is het met je gezondheid? Om dat laatste draait het dus; de meeste Fransen lopen niet voor hun lol. Een wandelingetje wordt enkel op dringend dokters advies gemaakt. Laatst kwam zowaar mijn buurvrouw door het dorp gestapt, en ja hoor, niet aangestoken door mijn blozende wangen, maar om haar geopereerde knie te oefenen. Ze maakte gelijk van de gelegenheid gebruik om met iedereen die ze tegenkwam het wel-en-wee van de knie te bespreken. Zo werd haar dagelijkse loopje toch nog te doen.

Niemand komt op het idee dat ik het bos intrek om simpelweg mijn honden uit te laten. Als ik dat zou zeggen, was ik waarschijnlijk gelijk naar het land der gekke Hollanders verwezen. Een hond zet je in een hok of aan de ketting en in het beste geval mag het dier in de tuin rondsjokken. In het dorp zit een hond altijd aan een korte lijn op het balkon vast gebonden. Het maakt niet uit wat voor weer; snikheet, ijskoud of kletsnat. Je verwacht dat het dier intussen stapelgek is geworden, maar het tegendeel is waar. Hij blaft nooit en de enkele keer dat hij weet te ontsnappen laat hij zich gewillig over de kop aaien en een hapje voorschotelen. Zijn voorganger is door de dierenbescherming in beslag genomen. Als dierenliefhebber zou ik wat voor deze hond moeten doen. Maar ja, klein dorp, allochtoon, allemaal slappe redenen om bij het passeren van dat huis liever de andere kant op te kijken.

Ik heb toch iets heel gewaagd gedaan. Langs de bosranden worden vossenkooien gezet en in het midden van zo’n kooi zit een levende vogel opgesloten, meestal een duif, maar laatst een mottig krielkipje. De vos komt op de vogel af en de val klapt dicht. De vogel kan niet door de vos worden opgegeten maar hij zit wel op een paar centimeter afstand van zijn doodsvijand. Vermoedelijk probeert de vogel net zo lang door de tralies te ontsnappen dat hij dood neervalt. Het lot van de vos laat zich ook raden. Ik heb dus een duif bevrijd en ben op een drafje door gelopen. Diezelfde middag stopte een onbekende 4x4 voor het tuinhek en stapte een stevige vent uit. Ik schrok me te pletter! Die kerel komt verhaal halen! Mijn hart bonsde zo hard dat ik in eerste instantie niet begreep dat hij wilde weten waar de familie Payot woonde.

Ik vind regelmatig in de tuin poep met pitten van de mirabelle erin. Reinaard de vos gaat gelukkig nog volop zijn gang en schuwt zelfs de hoofdstraat niet. Je mag trouwens de vruchten uit het bos niet ongekookt eten. De vos kan de vruchten hebben besmet en dat kan levercirrose bij de mens veroorzaken. Een kwaal dat je in Frankrijk niet zo snel de vos de schuld van zou geven!

Ik heb al heel wat mooie wandelingen ontdekt met behulp van een gedetailleerde kaart. Laatst raakte ik verdwaald omdat ik dacht te weten waar het pad op uit zou komen en dat was behoorlijk eng. Gelukkig kon ik dezelfde weg weer terug vinden, want je komt maar zelden iemand in het bos tegen. Als je iemand tegenkomt is het vaak een jager die het wild voert of controleert. Ik heb dan de neiging om de honden dicht bij me te trekken en met een vriendelijk knikje zo snel mogelijk door te lopen en zeker die ene keer toen de man ineens zijn armen wijd spreidt en verrukt uitroept: “Het is weer lente!”

Als je meerdere wandelaars op eenzame paden tegenkomt dan kun je er om wedden dat het Nederlanders zijn. Je herkent elkaar trouwens al op ruime afstand, zonder aan elkaar te hoeven snuffelen en dan krijg je het grappige fenomeen dat je bij het passeren elkaar in je beste schoolfrans toeroept: “Bonjour!”. We hopen schijnbaar dat de ander wordt misleid door dat fraaie Bonjour en denkt: het zijn toch Fransen!

 

Juli 2009

Wij Nederlanders kunnen niet zonder “Gezellig”. Gezellig kletsen met elkaar. Gezellig een glaasje wijn en een kaarsje er bij aan. Gezellig een hapje eten met vrienden. En als we weer naar huis gaan kunnen we nog eens innig tevreden tegen elkaar zeggen: “Het was gezellig, hè!”

De Fransen lijken het ook gezellig te hebben. Zitten zij niet aan die lange tafels te eten en eindeloos te praten, wat wij Nederlanders ook graag doen? Ik ben al vele malen aan zo’n lange tafel aangeschoven, maar miste toch telkens weer die Hollandse gezelligheid. Fransen willen zien wat ze op hun bord hebben liggen en hebben liever een TL-bak aan dan een kaarsje. Tijdens de overvloedige maaltijd wordt er uitgebreid over het eten gepraat, want dat doen Fransen graag, praten over eten. Ze kunnen zich geen betere en gezondere gerechten voorstellen dan die uit hun eigen streekkeuken en hebben een flink vooroordeel over het eten wat wij Nederlanders naar binnen durven te werken. Het valt me niet mee om tegen zoveel chauvinisme op te boksen. Misschien ligt het ook aan het feit dat ik de taal niet perfect beheers en daardoor niet ad rem kan reageren dat ik die broodnodige gezelligheid nog steeds bij mijn landgenoten moet zoeken. Mijn grapjes komen er te moeizaam uit en dan denken mijn toehoorders al gauw dat ik iets serieus probeer te vertellen. En als mijn nadere uitleg ook al niet helemaal lukt, begin ik het aan zo’n Franse tafel al gauw heel ongezellig te vinden.

We zijn zo doordrenkt met onze eigen cultuur dat het moeilijk is om die Hollandse bril af te zetten en je Franse omgeving met niet-oordelende ogen te bekijken. Als je naar een programma kijkt als “Ik Vertrek!” dan willen de Vertrekkers meestal het Nederlanse leven vol regeltjes ontvluchten en denken in bijvoorbeeld Frankrijk een stressloos leven tegemoet te gaan. Ze zijn nog niet de grens over of de stress loopt hoog op omdat ze in Frankrijk geen Hollandse regeltjes kennen en vanwege het stressloze bestaan absoluut geen haast hebben om jou met je zakelijke plannen vooruit te helpen. Ze begrijpen niets van onze Hollandse haast en enthousiasme.

In de ogen van de bevolking van de Ardennen zijn de Nederlanders heel rijk. Waarom willen de Nederlanders hier een onderneming beginnen als ze al zoveel geld hebben?

In ons dorp woont een echtpaar die van €300 per maand moet rondkomen. Ze rijden zelfs in een auto, nou ja auto. De heer des huizes liet me laatst met trots zijn moestuin zien. Het aardappelveldje wordt gekweekt met aardappelen die jagers in het bos hebben gegooid voor de everzwijnen en de aardbijplantjes zijn nazaten van plantjes van de buren die door het hek waren gegroeid. Hij heeft zelfs een perzikboom staan die hij uit een pit heeft groot gebracht en stookhout kreeg of vond hij wel ergens. Zo weet hij met veel creativiteit zich in zijn levensbehoefte te voorzien. Hij vertelde me blij dat hij een heel goed leven heeft.

Aan het einde van de rondleiding voegde hij me ook nog vriendelijk toe dat hij supergezond was en dat hij onafhankelijk van winkels kon overleven. Niet zoals Madame! Hij beloofde me nog een bak kiwi’s voor mijn gezondheid.

Helaas gunde hij me geen blik in zijn huis, alhoewel ik er wel naar kan raden. Je mag dan wel een gevulde en gezonde buik hebben, je hebt toch ook behoefte aan een beetje gezelligheid om je heen om je helemaal gezond te voelen?

Na het gesprek met deze supergezonde dorpsgenoot heb ik mijn Hollandse bril nog eens stevig op mijn neus gedrukt en Peter en Jeanine gebeld of ze zin hebben in gezellig een bakkie te komen doen.

 

juni 2009

Ziedend ben ik. Als ik ze tegenkom sla ik ze plat! Ik ben ver over de grens van mijn vegetarische tolerantie. Wekenlang heb ik het zaad uit de zaaigrond gekeken en de enkeling die boven durfde komen teder in een potje gevleid en gekoesterd. Scheen het zonnetje dan kregen ze een warm plekje buiten, als het weer een beetje tegenzat werden ze terug naar de veiligheid van de serre gebracht. Ik heb ze liefdevol over hun blaadjes geaaid zodat ze stevige worteltjes kregen en aanmoedigend toegesproken. Eindelijk was het grote moment aangebroken dat de plantjes groot genoeg waren geworden voor de echte tuingrond. De zeldzame kaukakische campanula, het bijzondere siergras, de wonderschone pekanjer kregen allemaal een zorgvuldig uitgekozen plekje. ’s Avonds draaide ik mij nog eens tevreden in mijn bed om met zoveel tuingenot in het verschiet.

’s Ochtends was ik al vroeg buiten om verder in de tuin te werken. Tot mijn verbijstering zag ik geen plantjes meer of  enkel nog een steeltje met een glibberig spoor er tussen door. De tranen van frustratie sprongen mij in de ogen. Al die uren werk waren in één nacht in de maag van de limace – oftewel naaktslak – verdwenen. De beroerde beesten lagen nog her en der verspreid, te volgevreten om een veilig heenkomen te zoeken voor de dag.

Ik ben graag in de tuin bezig en ik had mij van mijn franse tuin veel voorgesteld. Er moest eerst heel veel onkruid worden opgeruimd maar daarna zou ik de tuin helemaal naar eigen smaak gaan inrichten. Een engelse bloementuin in Frankrijk moest het gaan worden met veel bijzondere planten. Ik vond de franse tuinen maar saai, veel gras met wat struiken en dat kon beter, dacht ik. De Fransen zetten of hangen wel overdadig veel potten met geraniums, petunia’s en andere overbekende zomerbloeiers rond het huis. Het liefst in spetterende kleuren. In juni en juli rijdt een groep juryleden van het departement Ardennen door de dorpen en wie de mooiste bloemengevel heeft krijgt de felbegeerde prijs. Het dorp kan ook als bloemendorp meedingen naar 1 of meerdere sterren. Iedereen is dan ook reuze trots als hun dorp zich “village fleuri” mag noemen. Mijn buurvrouw laat zich graag door deze competitiestrijd meeslepen en hangt tientallen potten en bakken buiten. Ze fleurt haar bonte bloemenweelde nog wat extra op met zilver- en goudkleurige linten zodat de juryleden haar huis met geen mogelijkheid voorbij kunnen rijden zonder eerst een zonnenbril op te zetten en dan kun je als hollandse tulp op klompen natuurlijk niet achterblijven. Ik heb ook een heel regiment bloembakken buiten de tuinheg gesleept. Nu ben ik een van de weinigen die het heerlijk vind als het gaat regenen. Efkes geen gesjouw met die zware gieters! Vreemd eigenlijk, maar ik heb mijn buurvrouw nog nooit haar planten water zien geven.

Mijn vorige tuin lag op zandgrond en ik denk nog veel met heimwee terug aan die arme grond. Hier bestaat de grond uit zware klei. Klei dat ik als kind op school in een brok kreeg om mee te kleien; vet, nat en zwaar. Heerlijk vond ik het om de smurrie door mijn vingers te persen. Hier in Frankrijk krijg ik de schop maar een paar centimeter de klei in, de grond is of te nat of te droog. Als je de schep weer uit de grond trekt moet je het blad eerst schoonmaken voordat je hem weer kunt gebruiken. Ik begin te beseffen dat ik mijn tuinambities moet laten varen en net zoals de Fransen moet gaan microtuinieren in bloempotten en de klei aan de natuur moet overlaten.

De natuur hier is wild en ongeremd en prachtig. Je ziet vele planten in het wild staan die we in Nederland bij het tuincentrum kopen. In het vroege voorjaar stonden in de bossen velden vol bosanemoontjes, lelietjes-van-dalen, sleutelbloemen en zelfs een enkele boshyacint. Ondertussen zijn ze verdrongen door wilde margrieten, koekoeksbloemen en vele andere planten waarvan ik de naam niet ken en straks staan schurftkruid en wilde rozen in de hoofdrol. Ik heb zelfs kattestaart bewonderd dat eerst opkomt als een soort bruine inktzwam en later in het seizoen nog eens terugkomt als een hoge prehistorische plant.

Waarom maak ik me eigenlijk druk over een siertuin als de natuur om me heen al zo’n ongelooflijk mooie tuin is? Ik kan met m’n handen op de rug er doorheen wandelen zonder er iets voor hoeven te doen!

Mei 2009

Al een aantal dorpsbewoners weten me te vertellen waarom de Nederlanders zo massaal in Frankrijk komen wonen. We vluchten voor de dreigende waternoodramp! Als ik tegenwerp dat het gevaar wel meevalt en dat er al veel inspanningen worden gedaan om de dijken te versterken, wordt er wat meewarrig gelachen en krijg ik nog eens geduldig uitgelegd hoe ernstig het wel gesteld is daar in Holland. Neen, hier in de Ardennen of eigenlijk nog preciezier, dit dorp, is het beste plekje waar je kunt wonen, wordt me telkens ernstig voorgehouden. Chauvinisme is de fransman aangeboren, daar kan hij niets aan doen. Ik doe dan ook geen enkele moeite om over al die mooie dingen in Nederland te vertellen. Om van die vermoeiende, vaak eenzijdige discussie over al dat nadere onheil af te zijn, zeg ik maar voor de grap dat we onze huizen nu op boten bouwen. De onheilsprofeet kijkt me pijnzend aan en knikt dan vervolgens goedkeurend. Die Hollanders zijn toch nog zo stom niet.

Het is waar dat de autochtone fransman in deze streek over het algemeen weinig aan het broeikaseffect schuld heeft. De mensen verlaten niet graag hun dorp, enkel noodgedwongen voor de boodschappen bijvoorbeeld, en vakantie wordt het liefst in eigen huis en tuin doorgebracht. De hoognodige auto is minstens de tien jaar gepasseerd en wordt alleen ingewisseld voor een nieuwer exemplaar als er echt geen leven meer in te schoppen is. Eén dorpsbewoner moet zelfs eerst zijn auto de heuvel afduwen om hem aan de praat te krijgen, maar dat stukje gymnastiek is voor hem nog steeds geen reden om zijn spaarvarken aan te spreken voor een betrouwbaarder vervoermiddel.

De meesten dorpsbewoners verwarmen zich aan een houtkachel. Zo kun je je elk jaar voor een stukje bos inschrijven om de gemerkte bomen te mogen kappen voor stookhout. Het bos wordt daarmee goed onderhouden en de mensen hebben goedkope brandstof. De gemeente gebruikt de kapinkomsten uiteraard voor de algemene kosten van het dorp en als er wat overschiet wordt er subsidie gegeven aan bijvoorbeeld het plaatselijk ziekenhuis.

Verder leven de mensen van hun moestuin en boomgaard. Helaas kunnen er geen wilde asperges meer worden geplukt omdat de landbouwers te rijkelijk gebruik hebben gemaakt van de gifspuit. Kikkerbilletjes zijn intussen verboden en ook in de Ardennen sterven de bijenkolonies op mysterieuze wijze, dus de supermarkt is een noodzakelijk kwaad geworden.

Een meubelboulevard zul je in deze streek trouwens ook niet aantreffen, hooguit een winkelruimte waarin een paar meubelstukken te koop staan aangeboden. De oudere generatie zul je hier niet als kooplustige aantreffen. Zij zijn tevreden met de meubelstukken die al generaties in de familie zijn doorgegeven.

Jan en ik zijn laatst bij Frederique en zijn vrouw uitgenodigd voor een aperitief. Zij wonen in een groot, maar ernstig verwaarloosd huis. Ik was altijd al nieuwsgierig hoe het daarbinnen uit zou zien. Er moet toch iets van de vroegere grandeur terug te vinden zijn. Het echtpaar bleek maar twee kamers te bewonen, een keukenachtige ruimte en en een slaapkamer. Toen we door de voordeur binnenstapten, moest eerst een zwaar gordijn weggeschoven worden. Zo’n gordijn tref je trouwens in veel woningen aan en is bedoeld om de tocht tegen te houden. We stonden bij binnenkomst direct in hun verblijfsruimte. Geen statige ontvangsthal, dus. In het midden stond een grote tafel met het beroemde zeiltje erover, wat meubeltjes langs de kant en een groot ouderwets fornuis, hun enige verwarming, nam de meeste ruimte in beslag. Ondanks de schemer buiten èn binnen was de tl-verlichting niet aan. We waren in een decor van de jaren twintig gestapt. Toen we na een paar glaasjes naar buitenstommelden, zouden we ons bedrukt moeten voelen over zulke trieste armoede, maar we weten intussen beter. Frederique bezit veel landbouwgrond en zijn oude sok zal intussen goed gevuld zijn. Het zijn geen vrekken, deze generatie Ardennezen hebben nooit luxe gekend en willen daar ook geen verandering meer in brengen. Hun kinderen zijn wel weggetrokken voor een modern huis met plastic schrootjes en breedbeeld TV. Zij komen alleen nog terug in de streek om het voormalig ouderlijk huis als vakantiewoning te gebruiken.

Toch is de tijd niet voor iedereen stil blijven staan. Morgen zijn we uitgenodigd voor een Tupperware Party, duurzaam plastic dat wel!

April 2009

We eten elke dag vers stokbrood. De bakker die bij ons langskomt is helaas niet de beste bakker in de omgeving. De lekkerste bakker bakt 15 kilometer van ons vandaan en die heeft geen bus. Onze bakker uit datzelfde dorp heeft wel een bus en rijdt in een hoog tempo door de omliggende dorpen. In het begin waren we telkens net te laat buiten om hem tegen te kunnen houden. Ook al gingen we midden op de weg staan zwaaien, omkeren deed hij niet. Het stopsysteem bleek heel simpel, ontdekten we later, je hangt een broodzak goed zichtbaar buiten en dan stopt de bakker keurig voor de deur. Je kunt een briefje en geld in de zak steken, maar je kunt ook naar buiten rennen en dan doet hij de zijklep van de bestelbus open zodat je direct uit zijn winkeltje kunt kiezen. Je kunt niet van die heerlijke slagroompunten kopen of uit een eindeloos sortiment brood kiezen, daarvoor moet je in Nederland zijn. De franse bakker houdt zijn werk liever simpel en overzichtelijk.

Er is heel weinig verkeer in het dorp dus de rond scheurende bakker merk je onmiddellijk op, hij toetert ook af en toe hard voor de slechthorenden onder ons. Helaas niet voor de hond die zo tevreden op straat in het zonnetje lag te slapen. Ik vraag me af of de bakker in zijn hoge vaart de hobbel wel heeft gevoeld. De hobbel was iedergeval plotsklaps in de hondenhemel beland voordat hij een oog kon openen. De eigenaar heeft onbekommerd een nieuwe hond aangeschaft en die zie je regelmatig rakelings voor een auto wegspringen. De bakker heeft van het hele incident weinig geleerd, de wijsheid moet maar van de hond komen.

We kunnen zo heerlijk met onze landgenoten mijmeren over frans stokbrood met echte boter, wat brie of een plak boerenham met een glaasje wijn er bij. Meer hoeft het niet te zijn om je gelukkig te voelen. Zulk hemels stokbrood kunnen ze in Nederland niet bakken, daar zijn we het unaniem over eens, totdat bij een hap stokbrood het wel heel erg kraakt in je mond - zo knapperig was het brood toch ook weer niet? – en je een stuk kies uit je mond vist. Het leven in Frankrijk is niet zonder risico.

Als eerste reactie schiet je in diepe ontkenning, dat stukje is geen kies, maar een steentje dat in het brood is mee gebakken. Maar als je tong telkens heimelijk naar dat gat in je mond trekt en zelfs pijnlijk wordt door het schuren langs de ruwe kanten, moet je wel tot het besef komen dat je werk hebt voor een tandarts.

Het onderwerp tandarts hebben we lange tijd voor ons uit geschoven. Niet lang geleden vertelde een Nederlander dat hij last had van een kroon in zijn mond en omdat hij voorlopig niet naar Nederland ging, besloot hij de lokale tandarts een bezoek te brengen. Wat er precies mis ging in de communicatie is tot op heden niet duidelijk, maar de tandarts heeft zonder aarzeling de hele kroon uit zijn mond getrokken, waardoor alsnog voortijdig naar Nederland moest worden afgereisd.

Met het stukje kies in mijn hand heb ik daarom besloten dat ik voor een franse tandarts mijn mond nooit zal opendoen en dat het maar een op-en-neertje Nederland moest worden. Niet dat ik zo’n blind vertrouwen heb in mijn landgenoten die als tandarts aan de kost komen. Een aantal jaren geleden heeft nog zo’n aardige meneer me naar een kamertje apart genomen omdat hij eens met me wilde praten. Hij spiegelde me een toekomst van helse kiespijnen voor als ik niet zeker een aantal kiezen liet vervangen door kronen. Toen ik piepend vroeg wat me dat allemaal ging kosten ben ik van schrik weggerend en nooit meer bij hem teruggekomen, want tijdens een second opinion bleek dat mijn gebit prima in orde was.

Je zit in zo’n tandartsstoel vol overgave je mond open te houden en je moet er maar op vertrouwen dat de man oprecht knutselwerk verricht en niet een paar prima vullingkjes vervangt omdat hij wat extra inkomen kan gebruiken. De tandarts waar ik zoveel kilometers voor over heb, heeft tenminste een camera en laat op de monitor zien wat er aan je gebit moet gebeuren.

Terwijl mijn Nederlanse tandarts druk bezig is het vulsel voor mijn holle kies te maken, keek ik vanuit de stoel in de tuin en zag ik dat hij een groot zwembad had laten aanleggen.

maart 2009

Als je net ergens woont is het niet gemakkelijk om de juiste mensen te vinden en hoop je maar dat de eerste beste loodgieter in de gele gids ook een goede loodgieter is. We hadden meer dan dringend een verwarmingsmonteur nodig die de oude oliestook weer tot leven zou kunnen brengen. We hadden ons inmiddels in skipakken uitgedost in de hoop een beetje warm te blijven in dit grote, tochtige huis en we hadden ons naar voorbeeld van de lokale bevolking teruggetrokken in één ruimte en de luiken van de andere kamers stevig dichtgedaan. Volgens goed frans gebruik blijven luiken de hele winter dicht om pas in de loop van maart als het zonnetje er weer zin in lijkt te krijgen één voor één open te gooien.

We konden een paar uurtjes in een ijskoud huis nog wel vermakelijk vinden. We vertelden elkaar allerlei stoere verhalen uit onze spartaanse jeugd toen we nog voor de kolenkachel werden gewassen en het rijp ’s ochtends op de dekens lag. Moeder moest regelmatig mijn ogen uitwassen omdat door de kou ’s nachts mijn ogen met pus waren dichtgeplakt en Jan wist te vertellen dat hij met zijn adem een mooi rond gaatje maakte op de ramen met ijsbloemen om naar buiten te kunnen kijken in de hoop dat het gesneeuwd had. Maar ondanks onze hartverwarmende jeugdherinneringen gingen we toch steeds bezorgder en vaker naar het raam om te kijken of het busje van de loodgieter niet in zicht kwam.

De volgende morgen kwam hij eindelijk. Hij boog zich onmiddellijk onder droef gemompel over onze antieke oliestook en Jan boog zich bezorgd met hem mee. Gaandeweg werden steeds meer onderdelen op de vloer uitgestald. Ik probeerde mijzelf gerust te stellen met de gedachte dat mijn broers vroeger hun Puch regelmatig uit elkaar haalden en bij het weer in elkaar zetten altijd pijnzend met een onderdeeltje bleven staan, maar hun brommer daarna toch met 85 kilometer per uur door de stad konden jagen. Mijn moeder heeft eens zo’n gek hoofdschuddend nagekeken, niet beseffend dat het haar oudste zoon was die net een extra hoog stuur aan het uitproberen was.

Dan kijkt de loodgieter ineens op zijn horloge en vertrekt met gierende vaart met achterlating van twee verbijsterde Nederlanders en al zijn gereedschap. Het troostte me dat hij iedergeval terug zal  komen om zijn eigendommen op te halen. We konden hem dan zeggen dat hij zijn spullen niet terugkreeg voordat onze kachel het weer deed, maar om twee uur was hij er weer en boog hij zich herboren over de uitgestalde oliestook en Jan boog met hem mee.

Dit tafereel zouden we nog velen malen met ingehuurde krachten meemaken. De lunch is voor de fransman namelijk heilig. Ze kunnen je al om 10 uur ’s ochtends met een verheerlijkt gezicht een fijne lunch toewensen. Als je dan vertelt dat wij in Nederland tevreden zijn met een boterham met kaas, kijken ze je meewarrig en meedelijdend aan. Goed eten en de eigen gezondheid is een onderwerp waar de fransman intens door bezield kan raken.

Er komt regelmatig bij ons een frans hondje aanlopen om een tijdje bij ons in de tuin te komen zitten, maar tegen 12 uur is ook hij plotsklaps verdwenen en je ziet hem nooit voor 2 uur terug!

Geleidelijk plaatste de loodgieter alle onderdelen één voor één in de oliestook terug en verving één onderdeel door een nieuw tweedehands exemplaar. Ook voor een loodgieter is het in deze streek niet makkelijk direct aan nieuwe onderdelen te komen en hij heeft dan ook in zijn bus een heel assortiment tweedehandsjes. Het rode lampje werd een groen lampje en de oliestook begon zich kreunend warm te stampen. We waren gered! Het telefoonnummer van deze loodgieter hebben we gelijk in ons mobieltje geprogrammeerd.

Later werd ons in het dorp verteld dat deze loodgieter weliswaar kundig is, maar uiterst onbetrouwbaar. Hij is eens al zijn afspraken niet nagekomen omdat zijn moeder ziek was geworden. Hij is zonder bericht haar te hulp geschoten en niet de onfortuinlijke klant met een lekkage. Lovenswaardig zo’n toewijding aan je mamma, maar in ons mobieltje staat nu nog een telefoonnummer, dat van zijn concurrent.

februari 2009

De temperatuurverschillen zijn in februari groot, ’s nachts zakt de temperatuur tot wel -10 en ’s middags kunnen we in een t-shirtje op het terras zitten, weliswaar in een beschut en zonnig hoekje.

Als de zon schijnt, dan willen we naar buiten, dus het was een goede reden om de tuin eens aan te pakken. In Nederland zijn we gewend dat een huis schoon wordt opgeleverd, maar in Frankrijk denken ze daar heel anders over. Tijdens de verkoop van ons huis in Nederland hebben we alles gedaan om het huis er op zijn voordeligst uit te laten zien; een lekker boenwasluchtje, een paar vrolijke boeketten uit de tuin, glanzende ramen, een glimmende badkamer, enzovoort. “Staging” noemen de engelsen dat zo mooi. Tijdens onze zoektocht in Frankrijk leek het er op of de Fransen juist niet willen dat je het huis mooi vindt. Je stapt over vies wasgoed en rondslingerend speelgoed, je wordt afgeleid door een eigenaresse in ochtendjas omdat ze verkouden is en die de makelaar belet zijn verkooppraatje te doen en buiten tel je de wrakken van auto’s die de familie de laatste decennia in hebben gereden en waar de kippen dankbaar gebruik van maken om eieren in te leggen. We hebben zelfs een huis bezocht waar het gebit van de overleden heer des huizes nog in een glaasje water naast het bed stond. Het huis dat wij betrokken bleek ook allesbehalve schoon opgeleverd en al gauw hadden we een enorme berg afval dat naar de stort moest worden gebracht en toen hadden we nog niet eens de tuin bekeken. De familie had blijkbaar een stoelenfetisj. Overal vonden we kapotte stoelen tot zelfs hangend in de boom naast oude pannen en nog meer ongerijmde decoratie. We ontdekten ook grote hopen puin die in de zomer door gras en brandnetels aan onze aandacht waren ontsnapt en tijdens een paar moeizame pogingen in de zware klei te spitten kwamen er vele scherven van flessen naar boven. Het huis is vroeger een café-restaurant geweest. We besloten voorlopig alleen op stoelenjacht te gaan, terwijl we ons afvroegen waar we al die troep moesten heenbrengen. Tot voor kort was er een stort buiten het dorp, heel handig tegen een stijle heuvel gelegen. Je brengt je oude wasmachine tot aan de rand, geeft ‘m een flinke douw, en voila, binnen de kortste keren is het ding uit het zicht verdwenen. Gelukkig is er nu een heus containerpark ingericht waar je gratis(!) je grofvuil mag brengen onder het strenge toezicht van een parkbeheerder. We bleken er wel 30 kilometer voor te moet rijden en vele dorpsbewoners passen daardoor nog steeds de verdwijntruc op de heuvelrand toe. Kortom de containerparkbeheerder werd de eerste Fransman waarmee we een innige band hebben opgebouwd.

Het werd intussen de hoogste tijd om ons aan de burgemeester voor te stellen. We hadden trouwens dringend een inschrijvingsbewijs nodig voor de Nederlandse fiscus. Het gemeentehuis is maar twee avonden een uurtje open en het was ons al een paar keer overkomen dat we te laat waren. We klommen een grote kale trap op en vonden in het donker een deur dat naar de administratie leidde. Op ons bescheiden klopje werd ons meegedeeld dat we moesten wachten. We kregen alle tijd om het behang uit de jaren vijftig te bewonderen en een indruk te krijgen hoe de Mairie er in zijn glorietijd er uit zou moeten hebben gezien. Het dorp telde voor de eerste wereldoorlog bijna 2000 zielen, terwijl wij ons nu als inwoner nummer 183 en 184 lieten registreren. De secretaresse en de burgemeester ontvingen ons vriendelijk met de gebruikelijke handdruk, totdat we begonnen over een bewijs van inschrijving. De burgemeester keek ons verbijsterd aan en hoopte dat zijn secretaresse meer licht wist te werpen op deze vreemde wens. In Frankrijk kennen ze blijkbaar geen registratie in de burgerlijke stand. De franse belastingdienst schijnt meer over zijn belastingplichtige bevolking te weten, maar hoe zij dan weer aan hun informatie komen? Enfin, toen kwamen er nog twee mensen en dat werd de burgemeester allemaal te veel. Hij (of liever zijn secretaresse) zou een brief schrijven dat we hier woonden en de brief bij ons in de brievenbus doen. We moesten nu maar gauw gaan, het was zo druk vanavond! Als we nog meer vragen hadden, moesten we een andere keer maar weer eens komen.

De brief vonden we inderdaad na een paar dagen in onze brievenbus, in zesvoud zelfs!, maar de Nederlandse fiscus vond het geen afdoend bewijs. Een fiscaalnummer daar hadden ze wat aan. Leuk jongens, hoe kom je daar aan? En toen ging ook nog eens de verwarming kapot.

januari 2009

In Frankrijk moet een huis dat verkocht is daadwerkelijk binnen enkele maanden zijn overgedragen aan de koper en zo kwam het dat we al snel aan het gammele bureautje bij de franse notaris zaten. Een grotere tegenstelling met de werkruimte van een Nederlandse notaris kun je je niet voorstellen. In dat verveloze jaren vijftig interieur lagen de dossiers in een nonchalante hoop tegen de muren opgestapeld, maar gelukkig lag ons dossier klaar op zijn bureau en hoefde de secretaresse maar een enkele keer er aan te pas komen om het dossier helemaal compleet te maken zodat de verkoop kon doorgaan. Het was wel even spannend, want ons geld werd pas die ochtend op de rekening van de notaris bijgeschreven, de banken hadden er wat langer op “gezeten” dan nodig. Zoals dat nu ook in Nederland gaat, moet bij verkoop een keuringsrapport van het huis worden opgemaakt en dat heeft een lijfig en zeer gedetailleerd rapport opgeleverd. Zelfs de verf op deuren en plinten is op lood gecontroleerd. We hadden de notaris vooraf verzocht de documenten naar ons te mailen, zodat we ze goed konden bestuderen, de verkoper daarentegen had nog niets gezien maar maakte zich er niet druk om. Onze franse makelaar had ons al gegarandeerd dat alle documenten in orde waren, dus we hebben onze handtekening zonder aarzeling gezet. Weer een mijlpaal bereikt in de lange en spannende weg naar emigratie.

Drie weken later vertrokken we definitief naar Frankrijk met twee honden en de katten in mandjes. We hebben héél netjes gereden. We mochten niet worden aangehouden door de politie, want enkel de honden hadden de juiste immigratiepapieren. De politie is sinds enkele maanden uitgerust met snelheidmeters en is daar enthousiast mee aan het oefenen. Ze staan je vriendelijk onderaan de heuvel op te wachten of verscholen in een dorp. Ze spreken een mondje engels, dus je hoeft je niet van de domme te houden! Maar ja, ze doen het niet zo maar, er werd gewoon veel te hard gereden en de actie heeft duidelijk effect, bijna iedereen rijdt nu keurig.

De verhuiswagen volgde een aantal dagen later. De twee verhuizers bleken gezellige kerels, gelukkig maar want het duurde drie dagen voordat ze weer vertrokken en ze gingen alleen naar hun truck om te slapen. Nadat ze waren weggereden, was het ineens heel stil in huis en waren Jan en ik voor het eerst echt “alleen” onder de fransen, we zijn maar gauw verder gegaan met verhuisdozen uitpakken. Wat verzamelt een mens toch een zooi om zich heen!

De honden bleken geen enkel probleem met hun emigratie te hebben. Ze hadden al snel een otter in de rivier gejaagd en verdwenen de heuvel op zodra we even de andere kant opkeken, maar dan moesten ze wel eerst door het moeras. Gelukkig hebben we een enorme badkuip waar ze weer onder het modder vandaan konden worden geschrobd. De katten daarentegen waren voorlopig niet van plan hun nuffige neusjes buiten de deur te steken, het rook er te veel naar vos, hermelijn, hert en zelfs wildzwijn!

Naar gelang de dagen voorbij gingen voelden we ons steeds meer thuis in ons nieuwe, zonnige huis. We hebben geluk gehad, want nu zien we pas dat de heuvel veel huizen in de winter in de schaduw houden en dat maakt die huizen kil en vochtig. We begrijpen nu ook waarom makelaars huizen aanprijzen als een droog huis. Het regenwater verzamelt zich onderaan een heuvel en door de zware kleigrond komen weilanden in het natte seizoen regelmatig blank te staan en de rivier leek in de zomermaanden zo’n vriendelijk beekje, maar was nu veranderd in een razend monster dat grond van de boeren inpikt.

Jan heeft intussen zijn eerste franse les gehad. Hij sprak een langswandelende dame aan omdat hij dacht dat zij de buurvrouw was. De dame was duidelijk blij met het praatje en heeft hem uitgebreid verteld over het gebied hier. We schijnen in een beschermd gebied te wonen, waar de dorpen ook onder vallen. Althans dat denkt Jan te hebben begrepen van haar frans geratel. We waren al door de dorpelingen gesignaleerd (en besproken). Ze was blij te horen dat we hier ons vaste verblijf wilden maken en het huis niet enkel een vakantiehuis werd. Ze vond al dat we erg veel troep hadden meegenomen voor een vakantiewoning. Er stond inderdaad nog huisraad tegen de muren van het huis aangeleund wachtend totdat de verstopping binnenshuis was opgelost. We wisten toen nog niet wat voor verrassingen we in de tuin zouden gaan ontdekken.

December 2008

Wij wonen alweer bijna een jaar in het zuid-oostelijk puntje van de Franse Ardennen. Wat kan het leven toch een rare wending nemen. Ik heb al eens een jaar in Parijs gewoond en dat is niet leuk geweest en sindsdien is mijn kijk op Frankrijk altijd door die ervaring fel gekleurd gebleven. De fransen zijn onverschillig, ongeinteresseerd, afstandelijk, hautain... Ik had altijd een lange lijst van eigenschappen paraat voor wat ik typisch frans noemde.

Twee jaar geleden gingen we op bezoek bij kennissen die naar de Ardennen waren verhuisd. Tot vlak voor vertrek heb ik tot mijn schaamte niet anders geweten dan dat de Ardennen in België ligt en ik was dan ook verrast te horen dat we naar noord Frankrijk gingen. Waarom zijn ze tussen die saaie en eindeloze graanvelden van noord Frankrijk gaan wonen? Als je naar Frankrijk gaat dan rij je toch zo hard mogelijk door tot ver voorbij Parijs?

In Givet net over de franse grens dronken we koffie op een terrasje en wandelden we even langs de rivier. Ik kreeg een heerlijk blij vakantiegevoel en besloot dat we zeker nog eens terug moesten gaan naar dit leuke stadje als we meer tijd zouden hebben. Het was nog 1,5 uur rijden naar onze kennissen en onderweg genoot ik van het prachtige heuvellandschap afgewisseld door uitgestrekte bossen. Zij hadden een grote boerderij gekocht met vrij uitzicht over het dal. Er moest nog veel aan opgeknapt worden, maar ze waren vol plannen en ze vertelden zulke leuke verhalen. Op weg naar huis kon ik enkel zuchten “goh, dat zou ik ook wel willen!”

De volgende dag zat mijn man al op internet het huizenaanbod te bekijken. De huizenprijzen vielen ons tegen en ook van het plaatje van de huizen werd je niet veel wijzer. De franse makelaars werken als cowboys in het wilde westen en schuwen geen enkele praktijk om elkaars klanten en huizen af te snoepen en doen daarom heel geheimzinnig over hun aanbod. Daarnaast zijn er ook veel te veel makelaars en dan heb je ook nog de notaris die actief is op de huizenmarkt. De fransen maken zich kennelijk niet druk over belangenverstrengeling.

Kortom er zat ons niets anders op dan weer terug te gaan en persoonlijk een makelaarskantoor binnen te stappen. Gelukkig wisten onze kennissen een degelijke makelaar en hadden we al snel een aantal bezichtingen op het programma staan. Spannend!! Pas op het allerlaatste moment onthult de makelaar waar het object ligt en heb je soms nog steeds niet meer gezien dan een plaatje van bijvoorbeeld een keuken of tuin met een omschrijving van het huis. De makelaar rijdt voor je uit (hard!) en omdat hij meestal een groot gebied bestrijkt, kan dat best wel even duren voordat je er bent. Meestal ben je door al die landweggetjes al snel kwijt waar je precies op de kaart bent. Soms stopt hij voor een pand waar je al direct van zegt: “rij maar door”, maar soms maakt je hart een sprongetje.

Helaas zijn de fransen niet zuinig op hun erfgoed. Als ze wat geld hebben, willen ze van die “oude rommel” af en plastic schrootjes, liefst met een gouden randje, worden dan ook enthousiast op mooie vakwerkmuren getimmerd. Vandaar dat we in enkele maanden tijd wel 22 huizen hadden gezien en het gebied waarin we wilden wonen steeds groter werd. We zochten namelijk een huis waaraan geen structurele verbouwingen meer nodig zijn. We kwamen ook nog eens flink onder druk te staan, omdat ons huis bij de eerste bezichtiging direct was verkocht. Menig nachtje heb ik me in bed liggen afvragen waaraan we in hemelsnaam waren begonnen. Iedereen die van onze plannen hoorden, reageerden enthousiast en hadden het zelf ook graag willen doen, maar dan kwamen er prompt een aantal “maren” waarom ze het dus niet deden. En juist die “maren” kunnen ’s nachts zo door je hoofd gaan spoken!

Uiteindelijk zijn we weer eens langs de makelaar van onze kennissen gegaan en hem verteld van een huis dat op internet er zo leuk uitzag, maar dat geadverteerd stond bij een makelaar waarmee wij beslist geen zaken wilden doen. Helaas kende hij het huis niet. Tot onze verrassing belde hij ons een aantal dagen later op. Hij had een bezichtiging voor ons geregeld. Wat bleek, hij was de volgende dag - op zondag - in de auto gestapt en gaan rondtoeren en had bij toeval het huis gevonden, aangebeld en de eigenaar een bezichtiging afgedwongen! We zijn onmiddellijk in de auto gesprongen en toen we achter de makelaar aan door een schitterende omgeving naar het dorp toe reden, moesten we steeds harder naar elkaar glimlachen. Toen we voor het huis stil hielden, keken we elkaar aan met dezelfde gedachte “We hebben ons huis gevonden!”.

Marie

(wordt vervolgd)




        
Bekijk de statistieken
Webesign: Betula Alba ©.
©2005 template developed by Freejava.nl
Email webmaster: Betula Alba