Marquis A.G. de Pelleport

Les bohémiens


Pelleport

Auteur: Marquis A.G. de Pelleport
Titel: De Bohemiens
Oorspr.titel: Les bohémiens
Vertaald door M.Molegraaf en P.Castelijns
2006, 300 pag., € 19,95
Uitgeverij Bert Bakker Amsterdam, ISBN 9035131134

Terwijl markies De Sade in de Bastille 'De 120 dagen van Sodom' aan het schrijven was, werkte in een nabijgelegen cel in dezelfde gevangenis een andere markies aan een roman die lang niet zo wreed, maar even scherpzinnig en oneerbiedig, en een stuk geraffineerder was. Maar terwijl De Sade twee eeuwen na zijn dood als een van de beruchtste schrijvers aller tijden geldt, is de andere markies, De Pelleport, volkomen vergeten, en is De Bohemiens, dat indertijd in Nederland gedrukt werd, geheel verdwenen. Wereldwijd zijn nog slechts zes exemplaren over.

Historicus Robert Darnton ontdekte het even opwindende als geestige meesterwerk, en deed er onderzoek naar tijdens zijn verblijf als kb-fellow in het nias in Wassenaar.

De bohemiens zijn filosofen die door het desolate Noord-Frankrijk trekken en zich overgeven aan verheven discussies en lage roof, aan feesten en seks onder de blote hemel. Het slimste lid van de troep: een ezel. Een overrompelende roman vol terzijdes waarin de lezer wordt uitgedaagd, een vrolijke autobiografie over een triest leven, een satirische afrekening met al Pelleports vijanden, een boek waarin niets heilig is behalve de vrijheid om te mogen zeggen wat je denkt.

Hij beschrijft ons de reis van de Bohémiens tussen Parijs en Stenay, door Reims, Rethel, Machault, door de Champagne en de Argonne.

Anne-Gédéon de la Fitte de Pelleport (verschillende spellingen bestaan) werd geboren in Stenay op 11 mei 1754, zoon van Gabriel-René, toekomstig luitenant-kolonel van de infanterie, en Marie-Catherine de Chabrignac van Condé. Zijn leven is moeilijk te volgen want het is een losbandig leven, vaak met geheimen omgeven. Zijn talrijke activiteiten en avonturen hebben zich afgespeeld in Zwitserland, in Engeland, in België, in Duitsland, en in de Verenigde Staten hebben het geleid en hij heeft zelfs de gevangenissen van de Bastille in Parijs gekend. Zijn familie was afkomstig uit Guyenne alvorens zich halverwege de XVIIe eeuw in Sedan te vestigen en vervolgens in Stenay dankzij Gabriel-René, die er in 1753 trouwt. [...]Hij komt terug naar Stenay in 1780 voor de bevestiging van zijn huwelijk en om zijn zoon te laten dopen. Het paar woonde nog in Stenay in 1782 (geboorte van een meisje). Dit betrekkelijk kalme leven evolueert wanneer hij het kasteel van Cervisy en zijn familie verlaat en naar Parijs vertrekt om als journalist te gaan werken. (bron: Philippe VOLUER)
HOOFDSTUK XX - Historie van een pelgrim.
"De zon had bijna het midden van z'n baan bereikt. Hij zorgde voor een ondraaglijke hitte. De ezel die de proviand en de manuscripten moest dragen, liep langzaam en hijgend, de arme donder had de tong een el uit zijn bek, hij rende twintig passen met de staart tussen de benen, en ging toen op zijn meester Hogen wachten tegen wie hij in zijn taaltje leek te zeggen: laten we in de schaduw van die mooie beuken stoppen. Bij het verlaten van het woud zien onze reizigers het schitterende weideland dat door de haarspeldbochten van de Maas wordt bevochtigd. Een helling, bedekt met wat bomen die theatergewijs boven een beekje waren geplant, nodigde de uitgeputte reizigers uit te rusten en op de koelte van de avond te wachten, en om te genieten van de aardige aanblik die in de hooitijd een weideland biedt dat geen andere grenzen heeft dan je blik, weideland dat bet diepste deel inneemt van een dal dat door heuvels wordt omringd waarop je een stad ziet, meer dan twintig darren, veld en die met goudkleurige kruiden zijn bedekt, in de verte afgesloten door het uitgestrekte en majestueuze woud van de Ardennen. Naar dit weiland leidde MorJanes zijn troep, om te eten en uit te rusten."
HOOFDSTUK XX - Historie van een pelgrim.
Over Stenay:

"Ik ben geboren, heren, in de kleine stad die jullie achter jullie zien. Het is ontegenzeggelijk in heel Europa de minst geschikte plek om een letterkundige voort te brengen. Het is amper zes lustra geleden dat de inwoners hebben leren klokkijken, en de griffier is de enige die een beetje kan schrijven, alhoewel hij nog niet genoeg geoefend is om zijn eigen schrift vloeiend te lezen, hij moet altijd een flink stuk raden. Als je op heel oude geschriften mag afgaan, die bewaard worden in de bol van onze toren en die zijn ontcijferd door de wijzen (onder wie Mabillon, geboren in her laatste dorp waar jullie doorheen kwamen), is onze stad gesticht door een kolonie van Trojanen, die zich na de val van hun stad in het woud van de Ardennen hadden gevestigd en tot het detachement behoorden dat van Dido de opdracht had gekregen Engeland te bevolken. Die herkomst blijkt des te waarschijnlijker omdat sindsdien geen van onze inwoners Grieks heeft geleerd. Iederen weer dat onze stad desondanks een grote bloei beleefde in de tijd van koning Dagobert II. Hij had er zelfs een paleis waarvan jullie die kleine kapel kunnen zien, men toont er nog steeds de plaats waar hij z'n honden verdronk toen ze schurft hadden. De heren benedictijnen van Mouzon, waarvan je links de dubbele toren boven dat bos ziet, hebben al deze waarheden aangetoond in verschillende boeken die alle wetenschappers kennen en waarderen, en die authentiek zijn bevonden door her Concilie van Douzy, zoals me verschillende keren is verzekerd door mijn geleerde stadgenoot, abt Creston, een van de grootste oudheidkundigen en veruit de handigste onderwijzer van nachtegalen die je in het land kunt vinden."

HOOFDSTUK XX - Historie van een pelgrim.
Over Stenay:

"'Onze grond,' antwoordde de literaire vluchteling, 'is licht en van nature weinig vruchtbaar. Ze levert een beetje koren, wijn en hout op, maar allemaal in nogal kleine hoeveelheden, omdat de grond uitgeput is en degenen die hem bewerken de middelen missen om haar te verbeteren. Wij hebben namelijk geen nijverheid, en de boeren kunnen het beetje geld dat ze nodig hebben alleen bij elkaar krijgen door aan het garnizoen een deel van het hooi en het stro te verkopen. Zodoende hebben ze slechts een paar magere, uitgehongerde en zwakke beesten, en kunnen ze amper de lage belasting betalen die het huis van Conde waar wij bij horen heeft opgelegd. Vroeger hadden wij geen weet van luxe, alles was voor het grijpen, onze voorouders pakten uit de bossen wat ze nodig hadden om het enige vuur brandende te houden waarbij de hele familie zich in de winter warm hield. Er is tegenwoordig veel veranderd. De prins heeft een oneerlijk proces tegen ons gevoerd en dat gewonnen, en op onze beste grond die hij zonder enig recht heeft afgepakt, heeft hij een kanaal laten graven en een smederij laten bouwen naast de molen waar wij verplicht zijn te malen vanwege een Glide, tirannieke, feodale wet. Door de smederij is het hout duurder geworden. Het klopt dat wij geen militie hebben, maar evenmin hebben wij nijverheid, en onze jongemannen zijn genoodzaakt om in dienst te treden of om lakei te worden. Omdat er niet genoeg jongens zijn om met onze meisjes te trouwen, laten die zich verleiden door officieren en soldaten, en naderhand gaan ze naar Reims of Parijs om te bevallen, en vandaar komen ze bijna nooit meer terug. De mooie rivier die u ziet is bevaarbaar, maar wij hebben geen boot die erop vaart omdat de heren belastingpachters bang zijn voor smokkel. In onze stad heb je per handelaar slechts vijf of zes ongelukkige pingelaars, dus alles bij elkaar zijn we arm en leven we slecht. Wij missen enkel het geld en de kennis om welvarend te kunnen worden: onze ligging is heel geschikt voor de verbinding tussen Verdun en Sedan, Lorraine en Champagne. We zouden een pakhuis kunnen worden voor wijnen uit Bar, voor potas uit de Ardennen, voor hoefijzers die in de buurt worden gemaakt. Een fabriek voor naalden, spelden en kantwerk zou perfect slagen. Door uitgeverijen zou het geld gaan circuleren, en met de welvaart zou de liefde voor het vaderland en de deugd zich verbreiden."



Webesign: Betula Alba ©.
©2005 template developed by Freejava.nl
Email webmaster: Betula Alba